Dood betekenis & definitie

is het ophouden van het leven, dat aan een bepaald individu eigen was. Volgens de Aristotelisch-Thomistische →stof- en vormleer bestaat de dood hierin, dat de vorm, welke een bepaald levend wezen tot dit levend wezen maakte, verdwijnt en in zijn plaats andere vormen komen, die uit den aanleg der eerste stof worden verwerkelijkt.

Daar volgens de genoemde wijsgeerige school de menschelijke ziel de vorm is van het lichaam en zij als geestelijk beginsel afzonderlijk kan bestaan, kan men hier, bij den mensch, den dood ook bepalen als een scheiding tusschen ziel en lichaam.Teekenen, dat bij den mensch de d. is ingetreden, zijn: stilstand van hart en ademhaling en van de werking van het centraal zenuwstelsel (→ Schijndood); zie verder →Doodsteekenen. Uit de Openbaring weten we, dat de d. bij den mensch een straf is voor de erfzonde. Had Adam niet gezondigd, dan zouden zoowel hij als Eva en hun nakomelingen na een tijd van beproeving met ziel en lichaam het andere leven zijn binnengegaan om daar vergelding te ontvangen voor hun persoonlijke werken en zonden. Dit voorrecht echter, om niet te moeten sterven, was een buitennatuurlijke gave, door God aan de menschheid geschonken. Van nature immers is elke mensch, een samenstel tusschen geest en stof, sterfelijk. Th. v. d. Bom / J. Deelen.

Voor wat de verplichtingen der nabestaanden aangaat omtrent de zorg voor den overledene, →Begrafenis; Begrafeniswet; Crematie.

Voorst. in de kunst. In de oudheid werd de dood, een jonge knaap met een lijkkrans naast zich, te zamen met den slaap, die op een omgekeerden fakkel steunt, afgebeeld, terwijl zij rusten in de armen van vrouwe nacht. Beiden zijn gevleugeld en houden de voeten ten teeken van rust over elkaar. Deze idee van den rustigen, vredigen dood leeft in het Christendom voort tot aan de 14e eeuw, als men de dooden voorstelt als jonge, schoone personen, met open ogen. Einde 14e eeuw begint men den dood voor te stellen in al zijn verschrikking. Hij wordt afgebeeld als een geraamte, waar de wormen uit kruipen.

Als attributen draagt hij pijl en boog, later een zeis, in Frankrijk een sikkel (idee: maaier). De dood met rinkelbom, trom of fluit herinnert aan de doodendansen, waarvan de eerste ontwerp kan gelden de legende van de drie levenden en de drie dooden. Zie ook: →Dood van Ieperen.

Lit.: E. Mâle, L’art religieux de la fin du Moyen Age en France (Parijs 1925); J.C. Schulz Jacobi, De Ned. doodendansen (1849); Ralph. Ligtenberg O.F.M., De legende van de drie levenden en de drie dooden (1934). Heijer.

Dood van Christus →Christus (sub II. A); voor de iconographie, →Kruisbeeld.