Didam betekenis & definitie

Didam - gem. in de prov. Gelderland in het Z. van de Lijmers; opp. 3512 ha, ruim 6300 inw., waarvan 96% Kath. en 4% Ned.

Hervormd. Zand, met in het W. een strook rivierklei.

Landbouw en veeteelt; weinigen zijn werkzaam in de industrie (borduurselfabriek en steenfabrieken). Druk bezochte veemarkt (wekelijks) en winkelplaats voor de agrarische omgeving.In D. bevinden zich de Kath. Land- en tuinbouwwinterschool van den A.B.T.B., de Kath. Landbouw-huishoudschool voor meisjes: H. Oda. Daarnaast de Albertus-stichting met ziekenhuis en gasthuis van de Zusters van St. Jozef uit Amersfoort.

Reeds in 824 wordt D. als Theodem genoemd; het behoorde tot het graafschap Bergh. De verschillende havezaten van vroeger zijn geleidelijk boerenwoningen geworden, de Ned. Herv. kerk met stompen toren dateert uit de 15e eeuw. Een zestal schutterijen uit het verre verleden vieren begin Juni nog haar jaarlijksche feesten (vendelzwaaien). Heijs.