Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 24-04-2019

2019-04-24

Dag

betekenis & definitie

Dag - heeft twee beteekenissen:

1° van etmaal, dat is de duur van een omwenteling van de aarde;
2° de duur, dat de zon boven den horizon staat, dus in tegenstelling tot nacht.

Om een etmaal te bepalen moet men aan een hemellichaam waarnemen, dat de aarde een keer is omgewenteld en dus dat hemellichaam weer in dezelfde richting aan den hemel gezien wordt, bijv. steeds in het Zuiden. Gebruikt men daarvoor de zon, dan heeft men een zonnedag, een ster, een sterredag, enz.

De stand van de zon is om begrijpelijke redenen van ouds voor de tijdsindeeling gebruikt. Als tijdsindeeling geldt dus in de eerste plaats de zonnedag en wel de ware zonnedag. Tot het begin van de 17e eeuw na Chr. was de indeeling van het etmaal vrij ruw, omdat men nog geen lang loopende, nauwkeurige uurwerken had. In de oudste tijden en nu nog bij de natuurvolken bepaalt men den tijd van den dag door den stand van de zon te vergelijken met heuveltoppen, boomen enz., dus zonder instrumenten. Al vroeg maakte men ook een zonnewijzer, in principe een stok, die schaduw geeft. Lengte en (of) richting der schaduw bepaalden dan het uur van den dag.

Toch werden al meer dan duizend jaar v. Chr. bij de Egyptenaren wateruurwerken gebruikt. Meestal werden vroeger dag en nacht ieder in gelijke deelen verdeeld, welke deelen dus in de verschillende jaargetijden verschillend lang waren. Enkele voorbeelden: in Babylonië, Egypte, Griekenland, Arabië, ook in den lateren Rom. tijd werden dag en nacht elk in 12 deelen verdeeld. De Joden hadden 3 dagwaken en 3 nachtwaken. De Romeinen oorspronkelijk 4 dagen 4 nachtwaken.

De Perzen gaven oorspronkelijk den dag ’s zomers 5, ’s winters 4 deelen. Daarentegen deelden de Babyloniërs het etmaal soms in 12, soms in 6 gelijke deelen. De Indiërs in oude tijden 30 evenlange, later juist als nu bij ons 24 uren met 60 minuten en 60 x 60 seconden. De Chineezen hadden 12 evenlange deelen met een onderverdeeling resp. in 2 en 8, de Javanen van zonsopgang tot zonsondergang 8 uren. De Mohammedanen deelden den dag in naar de godsdienstoefeningen (salat’s).

Zeer merkwaardig was bij de Perzen in de 3e eeuw van onze jaartelling een maan-dag voor kerkelijk gebruik, dus een etmaal, bepaald door 2 opvolgende doorgangen van de maan door het Zuiden en dat meer dan een half uur langer is dan een zonnedag.

Sinds de uitvinding van het slingeruurwerk en van de kijkers is de tijdsbepaling zeer veel nauwkeuriger geworden. Hierbij werd de ongelijke lengte van den waren zonnedag merkbaar, die ook theoretisch berekend kon worden en waarvan Huygens al een tabel maakte. Toch duurde het nog tot het einde van de 18e eeuw voor algemeen de middelbare zonnetijd werd ingevoerd. (Voor het verschil tusschen middelbaren zonnetijd en waren zonnetijd, zie → tijdsvereffening.)

Een sterredag wordt bepaald door het tijdsverloop tusschen 2 culminaties van het lentepunt, dat is het punt, waar de zonnebaan (de ecliptica) den aequator snijdt (in het voorjaar). Omdat dit punt maar zeer langzaam onder de sterren beweegt, noemt men dezen dag, niet geheel nauwkeurig, een sterredag. Vier en twintig uur sterretijd is gelijk aan 23 uur 56 min 4 sec middelbaren zonnetijd. Het begin van den dag rekent men van middernacht af.

Schommeling en toenemende verandering van de daglengte. Het is bij voorbaat waarschijnlijk, dat door de wrijving van de voortloopende vloedgolf over de aarde de daglengte regelmatig afneemt. Uit een versnelling van de zonen de maanbeweging, die men niet anders verklaren kan, meent men dit op te kunnen maken. De dag zou in een eeuw een duizendste seconde langer worden.

W. de Sitter heeft het verder waarschijnlijk gemaakt, dat behalve deze regelmatige toename van de lengte van den dag, er onregelmatige en zelfs sprongsgewijze veranderingen voorkomen. Deze zouden verklaard moeten worden uit verschuivingen van groote massa’s in het binnenste van de aarde en doordat de aardkorst steeds in beweging is en volgens Wegener zelfs over zeer groote afstanden af kan drijven.

Doordat de draaiingsas van de aarde scheef staat op de baan van de aarde om de zon, verandert de lengte van dag en nacht in de verschillende seizoenen. Met de zgn. nachteveningen (aequinoxen) op 21 Maart en 22 September, als de zon in den aequator staat, zijn op de heele aarde dag en nacht even lang. Tusschen 21 Maart en 22 September neemt de daglengte van den aequator naar het Noorden toe. Op 21 Juni is het ten Noorden van 67½° N. 24 uur dag.

In dit tijdvak neemt de daglengte van den aequator naar het Z. af, terwijl op 21 Juni het ten Zuiden van 67½° Z. 24 uur nacht is. Het volgende staatje geeft een overzicht van de lengte van den dag op verschillende breedtegraden op 21 Juni. Opgemerkt moet worden dat de zon door de straalbreking in den dampkring schijnbaar opgeheven wordt, zoodat de dag langer is dan wanneer de aarde geen dampkring had. Het eerste getal geeft telkens het aantal uren, het tweede, na het streepje, het aantal minuten.

Breedte 60° Z 40° Z 20° Z 0° 20°N| 40° N 60°N Daglengte 21 Juni 5-52 9-20 10-56 12-7 13-21 15-f 18-53 P. Bruna