D’Hoop betekenis & definitie

D’Hoop - F elix, pauselijk zouaaf (1861-’70), later werkzaam in de missie; * 1839 te Tielt (W. VI.), † 1881.

Strijdt te Mentana, krijgt er het Kruis van eere en wordt tot onderofficier bevorderd. Verdedigt Rome (Porta-Pia). Met Loosveldt, Van Oost en anderen helpt en beschermt hij de tweede karavaan der Witte Paters van Lavigerie op haar reis naar Midden-Afrika (1879). Is de Witte Paters behulpzaam bij het stichten van Roemonge (Oeroendi), den eersten Katholieken missiepost aan het Tanganjika-meer (1880). Valt onder de lansen en pijlen der inboorlingen, te zamen met de paters Deniaud en Augier (Mei 1881). „D’Hoop, de sterke der sterken . . . . de goede, moedige zouaaf-missionaris”, getuigde van hem pater Moinet.

Vanneste.