Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 24-04-2019

Cuypers

betekenis & definitie

Cuypers - 1o Eduard Gerard Hendrik Hubert, neef van Petrus C., bij wien hij ook zijn eerste op leiding als architect genoot, * 1859 te Roermond, ✝ 1927 te Den Haag. Ontwerper van belangrijke gebouwen (ziekenhuizen, kerken, kloosters, kantoorgebouwen enz.) in Ned. en Ned.

O. Indië. Zie plaat.

Lit.: Levensberichten v.d. Mij. der Ned. Letterk. (1928). Gorris 2° Hubert, Nederlandsch componist, dirigent en organist; * 26 Dec. 1873 te Baexem (Limburg). Leerling van Fr. Nekes, leider van het domkoor te Aken, werd daarna aangesteld als organist-dirigent van het St.

Alphonsus-koor te Amsterdam en nam in dien tijd nog les bij Bernard Zweers (harmonie en compositie). Van de verschillende koren, die onder zijn leiding staan of gestaan hebben, worden hier genoemd: Schola Cantorum, Kon. Chr. Oratoriumvereeniging, het koor van de St. Agneskerk, alle te Amsterdam, de R.K. Oratoriumvereeniging te Haarlem, Sursum Corda te Leiden en Die Haghesangers te Den Haag.

Werken: verscheidene Missen ; Alphonsus-oratorium ; Kerst-oratorium; Te Deum (8-st.); de declamatoria Terwe, Die Wallfalirt nach Kevelaer, Das klagende Lied; vele gemengde- en mannenkoren, benevens een operette. Hanekroot 3° Josephus Theodorus Joannes, Ned. architect, zoon van Petrus Cuypers ; * 1861 te Roermond. Behaalde in 1883 aan de Polytechnische School te Delft het diploma voor Bouwk. en Civiel Ir., werkte daarna jarenlang samen met zijn vader, doch ging in zijn arch. opvattingen een eigen richting uit. Talrijke werken, waaronder de St. Bavokerk in Haarlem (→ Centraalbouw) en de Effectenbeurs in Amsterdam, en verschillende stedebouwkundige plannen toonden zijn activiteit, die zich ook uitstrekte op onderwijsen sociaal gebied. Zie plaat. Thunnissen 4° Julia, een van Vlaanderen’s verdienstelijkste tooneelspeelsters; * 1873 te Sint Jansmolenbeek (Brussel); treedt als 10-jarig meisje voor het eerst op te Brussel in den Alhambra-schouwburg.

J. C. was gedurende langen tijd verbonden aan het Amsterdamsch tooneelgezelschap Ze werd 1923 door de stad Brussel officieel gevierd. Mevr. Van Lier-Cuypers, sedert een twintigtal jaren mevr. Woudhuysen-Cuypers, verblijft heden te Amsterdam. Godelaine Lit.: H. Coopman, Het Vlaamsch Tooneel (1927).

5° Petrus Josephus Hubertus, Ned. architect, die grooten invloed heeft gehad op de Hollandsche bouwkunst, toen deze in verval was geraakt. * 16 Mei 1827 te Roermond, ✝ 3 Maart 1921 aldaar. Studeerde 3 jaar aan de Kunstacademie te Antwerpen, welke hij met den Prix d’Excellence en de hoogste onderscheidingen verliet.
C. plaatste de constructie als punt van uitgang op den voorgrond; de baksteen werd als bouwmateriaal in eere hersteld. Hij wees naar de Gotiek en stelde de vormen en constructies daarvan als voorbeeld. Deze periode van de neo-Gotiek was internationaal: ook in de naburige landen verwachtte men van de Gotiek een nieuwe bouwkunst. Zie plaat.

In 1853 bouwde C. zijn eerste kerkje te Oeffelt met steenen gewelven. Meer dan 100 kerken volgden, terwijl hij bij meer dan 200 andere bouwwerken was betrokken. Van 1854 dateert zijn vriendschap met J. Alberdingk Thijm, van ca, 1875 met jhr. mr. Victor de Stuers. In 1874 werd een commissie van adviseurs opgericht om de regeering voor te lichten bij de stichting van nieuwe gebouwen; in 1879 werd deze opgeheven, doch C. bleef adviseur van Victor de Stuers, destijds chef-referendaris van de Afd.

Kunsten en Wetenschappen van het Dept. van Binnenl. zaken. In 1876 werd C. benoemd tot architect van het Rijks Museum in Amsterdam. Hij was architect o.m. van het Centraal Station, de St. Willibrorduskerk en de H. Hartkerk te Amsterdam, en van de restauraties van het kasteel Haarzuilen, de Munsterkerk te Roermond, de abdijkerk te Rolduc, het Oostelijk koor van den dom te Mainz en van de St. Jacobuskerk te Den Haag.

Lit.: Het Rijksmuseum te Amsterdam; jhr. V. de Stuers, Mannen en Vrouwen van Beteekenis; De Katholieke Kerken in Nederland; Het Gildeboek(1921). Thunnissen