Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Gepubliceerd op 23-04-2019

Compost

betekenis & definitie

Compost - een meststof, bestaande uit allerlei afval, vermengd met stalmest, aarde, gier, enz. De c. wordt in lagen opgestapeld en geregeld met gier overgoten, waarbij ervoor gezorgd wordt, dat het overtollige vocht kan wegvloeien.

De hoop wordt eenige malen verwerkt, totdat alle plantaardige bestanddeelen voldoende verrot zijn en het geheel een homogene massa is geworden, welke ter bemesting voor allerlei gewassen kan gebruikt worden.

De c., die gemaakt wordt uit de afvalstoffen van steden, dus uit straatvuil, keukenafval, asch, den inhoud der riolen en vooral uit faecaliën, speelt een belangrijke rol bij de ontginning van dalgronden in de veenkoloniën; bekend is in dit opzicht de Groninger c., waaruit deze gemeente geruimen tijd een belangrijke bron van inkomsten heeft getrokken. Het Haagsche straatvuil wordt sedert enkele jaren des nachts met speciaal daarvoor gebouwde wagons in treinen naar Drente vervoerd om voor grondverbetering en maken van compost te worden aangewend. Het scheikundig absorptie-vermogen van den grond wordt door vermenging met c. aanzienlijk verhoogd.

P. Bongaerts.

De waarde van c. ligt vooral in het gehalte aan kalk en de entende werking (brengt bacteriën aan en bevordert de ontwikkeling van deze). Werkt daardoor gunstig op nieuwe (ontginningen) en zure gronden, ook op grasland (➝ Ontginningsziekte). Benoodigd 30—50 m3 per ha. Stadscompost brengt veel scherven enz. op het land. Uit allerlei afval, die bemestingswaarde bezit (geen onkruidzaden!), vermengd met beer en humusrijken grond, kan men op de boerderij zelf c. bereiden.

Dewez.