Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 23-04-2019

Ciborium

betekenis & definitie

Ciborium - overhuiving van het Christelijk altaar, van steen, hout of metaal, en rustend op kolommen, met het doel, door een beschuttende overdekking, aan dat altaar een grootere waardigheid te geven. Gewoonlijk daarom, evenals het altaar zelf, van kostbaar materiaal, in de eerste eeuwen niet zelden van zilver. Het eerst vermelde in het Pausboek (= Liber pontificalis) bij paus Sylvester (314—335), onder de benaming van fastidium (= spits), was van zilver. Rome is er blijkbaar de bakermat van. Elders werd het aanvankelijk weinig toegepast, zooals in Frankrijk en Spanje, waar het retabel zich inburgerde; meer in Duitschland. De constructie moet men oorspronkelijk noemen, waarbij van bestaande elementen is gebruik gemaakt.

Uit de 4e eeuw zijn slechts fragmenten bewaard, waarvan de meest interessante zijn de zuilen van het voormalige c. uit de basiliek van de H.H. Nereus en Achilleus te Rome, waarop in reliëf een afbeelding van het martelaarschap van den laatste. Het oudste, volledig bewaard gebleven c., dat van Perugia (begin 9e eeuw), is geheel van steen, rust op vier kolommen waartusschen bogen, en is afgedekt door een pyramide. In de 12e eeuw komt veel voor de dakvorm in verdiepingen, uit architraven met kolommetjes bestaand (Rome: H. Laurentius buiten de muren; H. Georgius in Velabro; H. Nicolaas). In de 13e eeuw zijn zeer bekend de Italiaansch-Gotische c. van Arnulfus da Cambio (te Rome: H. Cecilia; H. Paulus buiten de m.). In de Renaissance worden de c. buitengewoon sierlijk, nemen zelfs den vorm aan van een kapel, maar passen zich gewoonlijk meer aan bij de omgevende architectuur dan bij het altaar. De Barok voerde den koepel in (Rome: H. Agnes buiten de m., 1615).

Veel nagevolgd werd, zoowel in de Rococo als Empire (waarin er overigens weinig werden vervaardigd), het c. van Bernini in de St. Pieter (1631—1633), een combinatie van c. en baldakijn, gedekt door vier voluten, die eindigen in een bol. Het brons is afkomstig uit het Oud-heidensche Pantheon (S. Maria ad Martyres); de hoogte bedraagt 28½ m. De 19e eeuw heeft er weinige opgeleverd, de 20e meer, ook in Nederland, waar ze tot dan nimmer werden aangetroffen.

Voorschriften bestaan er niet. Decr. 1966 en 2912 zijn volgens den index zelf in onbruik geraakt. Het Caeremon. ep. (L.I, c. 12, nr. 13) schrijft een baldakijn voor, waar een c. ontbreekt. Men vermijde om practische redenen, de kolommen op het suppedaneum of de middelste trede te plaatsen.

Het woord c. is niet Grieksch, maar een verbastering van tegurium (➝ tegere = bedekken). Men treft in het Liber pont. aan: Tegurium, tigurium, ciburium, ciborium.

Ciborium noemde men in de latere M.E. ook den bovenbouw van een reliekschrijn, de muumisse, waarin het Allerheiligste werd bewaard, den monstrans, en zelfs het kerkgewelf.

Lit.: Braun, der christl. Altar (I 1924); Beekman, het Altaar (1934).

Als baldakijnvormige overhuiving over een altaar of heilige plaats werd het c. reeds gebezigd in den heidenschen mysteriëncultus (over godenbeelden, altaren enz.). In het Oosten overhuifde het vaak den vorstenstroon, om den heerscher aldus te onderscheiden en aan het profane te onttrekken. Reeds spoedig legde men er een symboliek aan ten grondslag: het c. werd een beeld van het hemelgewelf, dat volgens de Ouden door vier zuilen werd gedragen.

Van waar in de 4e eeuw de Christ. kunst het c. overnam is onbekend.

In lateren tijd zijn vier typen te onderscheiden:

1° het c. met dakbedekking, tympaan en architraven;
2° met pyramide(11e eeuw) of koepelvormige (16e eeuw) overhuiving;
3° met gewelf en bogen, die met tympaan verbonden zijn (in den laat-Romaanschen en Gotischen stijl);
4° met een veelhoekigen of vierkanten lantaarnbouw. Zie plaat bij artikel ➝ Altaar.

De Renaissance sluit zich in den algemeenen bouw bij de Gotiek aan (legt zich met name toe op incrustatie). De Barok vertoont meer levendigheid en beweeglijkheid (zwaar geornamenteerde spiraalzuilen) en benadert zoo het lossere en verplaatsbare baldakijn.

Lit.: Leclercq, in Dict. d’archéol. et de Liturgie chrét. (III 2, kol. 1588 vlg.).