Cacao betekenis & definitie

Cacao - (Theobroma cacao L.), een plant, behoorende tot de fam. Sterculiaceae, afkomstig uit de oerwouden langs de Amazone- en Orinoco-rivier, schijnt echter ook in Suriname wild te groeien.

In Europa raakte men er mee bekend door Cortez in het begin der 16e eeuw. De Indianen in Mexico kweekten haar reeds veel langer en zij speelde een belangrijke rol in hun mythologie. Ook werden de cacaovruchten als ruilmiddel gebruikt. De Spanjaarden in Amerika behielden het geheim en het monopolie der chocoladevervaardiging zoo lang zij konden, maar de Venezuelanen vonden het voordeeliger om met andere landen in Europa te handelen. In 1634 werden 3260 ton naar Europa uitgevoerd. Vanaf dit tijdstip begon zich de cacaocultuur sterk te verbreiden.

Spoedig waren Trinidad, Haïti, Jamaica en Martinique belangrijke uitvoercentra. In Suriname werden de eerste planten ingevoerd in 1686. In 1899 was de uitvoer hier 3970 ton, van 1910-’20 slechts 1531 ton (ten gevolge van de krullotenziekte (Marasmius perniciosus). Nog sterker vernietigend trad na 1920 de instervingsziekte op en nu wordt nog slechts 250 t uitgevoerd. In 1727 vernielde een orkaan de plantages der West-Indische cacaostreken vrijwel geheel.

In Brazilië dateeren de eerste plantages van 1740. Op het oogenblik bedraagt de uitvoer ca. 60 000 t en is het de grootste der „oude” cacaocentra. Na 1850 volgt de ontwikkeling der „jonge” cacaoproducenten. De belangrijkste is verreweg de Goudkust, met een uitvoer van 223 000 t per jaar.

Andere belangrijke exportstreken zijn: Nigeria met 46 000 t, Trinidad met 26 000 t, Venezuela met 19 000 t, San Thomé: 15 000 t, Kameroen: 10 000 t, Ivoorkust: 15 000 t, Java: 1000 t. Bijna overal wordt de cultuur door de Inheemschen gedreven. Op Java begon men in 1880 vele koffietuinen, die niet langer rendeerden, met cacao te beplanten. In 1910 was de uitvoer ca. 2480 t, maar de talrijke insectenplagen (cacao-mot) veroorzaakten een gestadigen achteruitgang, die zich nog verergerde, toen de Robusta-koffie en later de Hevea meer en meer de cacao verdrongen.

De cacao is een zuiver tropische plant en groeit niet buiten de keerkringen. Daalt de temperatuur beneden de 15° C, dan lijdt de plant schade. Voorts eischt het gewas veel vocht, zoowel in den bodem, als in de atmospheer, zoodat men in Venezuela, dat een droog klimaat heeft, dan ook moet bevloeien. De cacao heeft liefst neutraal reageerenden bodem, groeit echter op Java ook op zuren grond; t.o.v. klei-, zand- of vulkanischen grond maakt zij geen onderscheid.

Beschrijving.

Na 10 of 12 jaar is de cacaoboom volwassen en is dan 15-25 voet hoog. Na ong. 1½ jaar, bij een hoogte van 3 à 5 voet, splitst hij zich in 3, 4 of 5 takken.

Bij de oudere boomen vormen zich aan den voet van den stam en op de takken zgn. waterloten of zuigers, die op de plantages verwijderd worden. De bladeren zijn elliptisch, gaafrandig en lederachtig.

De bladsteel heeft aan den voet en aan den top een verdikking, die het de bladeren mogelijk maakt, zich naar het licht te draaien. De bloemen ontwikkelen zich op den stam en de oudere takken.

Op oudere boomen ontwikkelen zich zeer veel bloemen, maar slechts 1,5 tot 6% worden vruchten. De bloem heeft 5 witte of rose kelkbladeren, 5 eigenaardig gevormde bloembladen, rose en geel van kleur, 5 meeldraden, afgewisseld met 5 staminodiënen samen aan den voet ’n buis vormend. Bovenstandig vruchtbeginsel met één stijl en 5 min of meer vergroeide stempels. De rijpe vrucht is geel of roodachtig-oranje.

Men onderscheidt bij de gekweekte cacao twee variëteiten, nl. de Criollo (Creoolsche vorm), die zeer constant is en de Forastero (vreemdeling), die uit een groot aantal sub-variëteiten bestaat. Van de eerste, afkomstig uit Centraal-Amerika, zijn de boonen rond, wit en weinig bitter. De tweede, afkomstig uit Zuid-Amerika, heeft platte, violette boonen, die zeer bitter zijn. De Criollo, die slechts zelden wordt aangetroffen, levert een zeer fijn, de Forastero een matig product.

Cultuur.

Als plantgrond kiest men liefst oerbosch, dat men uitdunt of omkapt. Bij voorkeur wordt de cacao onder schaduw geteeld, met als schaduwboom liefst vlinderbloemigen, hoewel men in sommige streken ook in het uitgedunde oerbosch cacao plant. Na het schoonmaken van het afgebrande plantterrein moet dit gedraineerd worden en van een grondbedekker voorzien, ter bescherming tegen de zon. Liefst neemt men hiervoor heesters, die dan ook als tijdelijke schaduwplanten dienst doen (Leucaena glauca, Tephrosia candida). De cacao plant men dan bijv. op 15 x 15 voet en er tusschen om de 5 voet rijen groenbemesters. Hier en daar laat men er dan een opgroeien voor permanente schaduw.

De cacao is zeer gevoelig voor wind, maar meest werken de schaduwboomen voldoende beschermend. Het zaaien der cacao kan geschieden in het open veld en op kweekbedden. Het laatste is beter. Wat betreft de vegetatieve vermeerdering, is het oculeeren het beste en wel met knoppen van waterloten op 2½ à 3-jarigen onderstam.

Na 4 weken is de knop vergroeid. In het derde jaar, nadat de boom is uitgeplant, begint men met den snoei (binnen in de kroon), en dit geschiedt in het droge seizoen, als hij in rust is. Het oogsten geschiedt met tusschenpoozen van 2 tot 4 weken, daar steeds slechts een gedeelte der vruchten rijp is. Men gooit de vruchten op groote hoopen en breekt ze open.

Lit.: dr. C. J. J. van Hall, Cacao (1982); A. de Candolle, Origines des plantes cultivées (II 1883); dr. G. Sthal, Indische Mercuur (dl. 43,1920, 681).

Menrath.

” Onder cacao als product verstaat men de gefermenteerde en daarna gedroogde zaden van de cacaoplant. De geroosterde en fijngemalen boonen vormen de zoogenaamde cacaomassa. De cacao bevat veel vet (cacaoboter) nl. 46%, verder 14% eiwit, 8% water, 6% koolhydraten en 26% overige bestanddeelen, waaronder het theobromine, een purinederivaat. De oplosbare cacaopoeder wordt, ingevolge den eisch van het cacao- en chocoladebesluit, verkregen door ’t vetgehalte van de cacaomassa tot 22% te verminderen en er potasch (kalium carbonaat) aan toe te voegen benevens aromatische stoffen. Deze laatste kunnen verschillend zijn en dan ook den smaak doen varieeren.

Chocolade is cacaomassa of cacaopoeder, gemengd met suiker en ook met aromatische stoffen. Dikwijls wordt er nog cacaoboter of voor de goedkoopte melkpoeder aan toegevoegd (melkchocolade). Voor een kop cacao is behalve water ongeveer 10 gram cacao noodig. Praktisch is dus de voedingswaarde niet zeer groot, omdat in één kop maar 2,2 gram vet (cacaoboter) aanwezig is.

Natuurlijk kan door toevoeging van suiker en melk en dan in den vorm van flikjes, bonbons of chocolademelk, de voedingswaarde worden verhoogd. Maar in het algemeen is de cacao slechts een genotmiddel. Bovendien bevordert het niet den eetlust, maar wel den snoeplust van kinderen; volwassenen klagen na het gebruik van cacao nog al eens over hoofdpijn.

Droog.