Boek betekenis & definitie

Boek - Het boek is het onmisbaar middel om de menschelijke gedachte vast te leggen. Het is het papieren geheugen van het menschdom, en waar mondelinge overlevering van gedachten te kort schiet, brengt het boek uitkomst.

Om de diensten, die het aan de menschen verleende, stond het van ouds in hooge vereering, vooral als bewaarder van een Goddelijke Openbaring. Het Evangelieboek geldt zelfs als symbool van Christus en ontvangt daarom bijzondere liturgische eerbewijzen. Zie pl.

I. Geschiedenis van materiaal en vorm. Het woord boek hangt waarschijnlijk samen met beuk en schijnt aanvankelijk gebruikt te zijn voor houten schrijftafeltjes. Reeds 2400 v. Chr. werden in Babylonië wetten en staatsinkomsten op kleitafels geschreven. Omstreeks 1860 ontdekten de Engelschen Layard en Rassam archief en bibliotheek van koning Assoerbanipal te Ninive. De beginwoorden der afzonderlijke deelen vormden een cataloog. Meer op onze boeken gelijkt een rol van 18 kolom Egyptische hiëroglyphen uit de 25e eeuw met de stelregels van Ptahhetep.

Het materiaal van dit boek is de papyrus. Ter vervaardiging hiervan werd het inwendige van den papyrusstengel in smalle strooken gesneden; deze strooken werden met steenen geklopt, kruiselings over elkaar gelegd, door herhaaldelijk kloppen en in water weeken tot een soort geelachtig papierblad gevormd, dat in opgerolden toestand werd bewaard. Deze aldus verwerkte papyrusbladen waren vrij duurzaam. Deze bladen werden beschreven in kolommen.

Ieder hoofdstuk vormde een aparte rol. Iedere boekrol had één rol om op, en één rol om af te winden, hetgeen onder het lezen geschiedde. De kostbare rollen werden in kokers bewaard, die in het Latijn scrinia of capsae, in het Grieksch bibliothèkè heetten. Bij de Grieken en Romeinen werd de papyrusrol vervangen door aaneengenaaide perkamenten vellen, die op dezelfde wijze aaneengenaaid, werden beschreven en opgerold.

Het materiaal hiervan, schaaps- of kalfshuiden, werd vooral tot dit doel aangewend onder Attalus I en Eumenes II van Pergamon. Ts’ai Lun vond in 105 na Chr. in China het papier uit. In de 12e eeuw werd door de Arabieren nieuw materiaal in Spanje ingevoerd: een pap van linnen stoffen; dit materiaal nam den ouden naam papyrus over. In 1276 bouwde men in Italië den eersten papiermolen.

Van Spanje verbreidde zich de papierfabricatie naar Frankrijk en vandaar naar Engeland en Holland. In de 14e eeuw komen de papierhandschriften op, het papier werd goedkooper dan perkament en verdrong zoo dit laatste materiaal. Niet alleen linnen en andere stoffen, maar vooral houtvezels en espartogras werden langzamerhand voor papierfabricatie gebruikt.

De kolombreedte van het papyrusboek werd overgenomen voor het in vellen geschreven perkamenten boek, den codex. De Codex Sinaïticus, een bijbelhandschrift uit de 4e eeuw, heeft dan ook 4 kolommen per pagina; dit aantal vermindert langzamerhand, tot de 6e-eeuwsche Codex Bezae slechts één kolom per pagina telt. Sindsdien bleef de pagina uit een of twee kolommen bestaan. De uitwendige vorm der codices veranderde weinig, zooals uit miniaturen blijkt. Voor de geschiedenis der manuscripten, zie Handschrift. Verder zie Initiaal; zie Miniatuur.

In de late middeleeuwen ging men er toe over bladzijden van een manuscript in hout te graveeren; men besmeerde dezen tekst met inkt en drukte dien door wrijving af. Op deze wijze kon men een handschrift vermenigvuldigen. Het bezwaar van deze werkwijze was dat men niet gemakkelijk kon verbeteren of aanvullen. De zoo ontstane boeken heeten blokboeken of blokdrukken. Tot de bewaarde blokboeken behoort het Speculum humanae salvationis.

Lit. : Art. Livre in Cabrol en Leclercq, Dictionnaire d’Archéologie chrétienne et de Liturgie (Parijs 1907 vlg.); Svend Dahl, Geschichte des Buches (Leipzig 1928); O. Schmook, Wordingsgeschiedenis van het boek (1931).

II. Boekdrukkunst. Uitvinding. Het gebruik van het losse lettertype maakte het mogelijk dezelfde letter meermalen zelfs in eenzelfde werk te gebruiken en correcties en aanvullingen in den tekst aan te brengen. Een regelmatige letterdruk is slechts mogelijk met gegoten letters. Wie het drukken met gegoten letters heeft uitgevonden, zal wel altijd in het duister blijven. De „Chronica van der Hilliger Stat Coellen”, in 1499 door Koelhoff te Keulen uitgegeven, vermeldt, dat „die eyrste vinder der druckerye” is geweest „ein Burger tzo Mentz, Johan Gudenburch”, maar dat „die eyrste vurbylding” gevonden is „in Holland vyst den Donaten, die da selffst vur der tzyt gedruckt syn”.

Tot de aan Coster toegeschreven drukken, de Costeriana, worden gerekend een Abecedarium, het Speculum humanae salvationis en de genoemde Donaten, waarvan meer dan 20 drukken over zijn. De 7 à 8 lettertypen, waarin deze gedrukt zijn, toonen een sterke gelijkenis en een Nederlandsch karakter, hetgeen vast te stellen is uit de overeenkomst van de drukletter uit dien tijd met de manuscriptletter van eenzelfde plaats of streek. Uit vergelijking dezer persvoortbrengselen met die uit Utrecht en Delft, dateerend van later dan 1473, blijkt, dat de Costeriana primitiever en ouder zijn dan de door Mainz beïnvloede Utrechtsche en Delftsche drukken. Coornhert schreef in 1561 in zijn voorrede tot de vertaling van De Officiis van Cicero, dat de boekdrukkunst in Haarlem „gevonden” is. Hetzelfde zegt Hadrianus Junius in 1568 in zijn Batavia.

Van Gutenberg is bekend, dat hij een pers met verstelbare onderdeelen heeft vervaardigd en proeven heeft gedaan met het gieten van letters. Verder heeft hij als drukker over betrekkelijk volmaakte hulpmiddelen beschikt, zooals blijkt uit den prachtigen 42-regeligen Bijbel, die ca. 1455 het licht zag. Vermoedelijk heeft hij daarbij de matrijs gebruikt. De verbeteringen werkten in Ned. door blijkens de Historia Scholastica van Ketelaar en Leempt en den Delftschen Bijbel van Jacobszoon en Yemantszoon.

De 15e eeuw. Tusschen een handschrift met genormaliseerde lettertypen en een der oudste gedrukte copieën ervan uit dezelfde streek afkomstig, is het verschil zeer gering. Tot 1477 had elke drukker zijn eigen typen, gebaseerd op de schriftletters van een bepaald manuscript uit zijn eigen omgeving. Ook lettercombinaties en samentrekkingen werden overgenomen. Initialen, opschriften e.d. werden met de hand ingevoegd in den stijl van de manuscripten; aanwijzingen voor initialen werden aan den rand gedrukt en later afgesneden of met zeer klein type ter plaatse afgedrukt en gewoonlijk later door de definitieve letter bedekt. Titelpagina’s waren er niet; waar, wanneer en door wien het boek was gedrukt, werd óf niet, óf achter het werk in het colophon medegedeeld; hier plaatste men ook het drukkersmerk, waarvoor vaak een familie- of stadswapen of voorletters gekozen werden.

Het eerste boek, dat voor zoover ons bekend deze mededeelingen bevatte was het Psalterium van Fust en Schoeffer in 1457. Eerst later werd de titelpagina toegevoegd; de oudste ons bekende gedateerde titelpagina is die van een boek van Amold ter Hoernen te Keulen in 1470; hij bracht ook pagineering aan. Na 1477 worden de lettertypen gemeengoed en gaan de lettercombinaties verdwijnen; de samentrekkingen blijven nog tot de 17e eeuw gebruikelijk. Gedrukte versieringen in den vorm van houtsneden vinden we reeds ca. 1461 in boeken van A. Pfister te Bamberg en zijn reeds veelvuldig ca. 1490 in Italië; in Duitschland worden ze eerst begin 17e eeuw talrijk. Lettertypen zijn voor 1500 de Gotische, een navolging der schriftletter, de zuivere romein, afgeleid van de Karolingische minuskel, de bastaard-romein, en de Bologneesche, navolging van in Bologna en ook in Engeland gebruikt schrift.

Gedurende de tweede helft der 15e eeuw waren er, vooral in Duitschland en in de Nederlanden, tal van uitstekende drukkers, zooals Fust en Schoeffer te Mainz, Johan Mentelin en Heinz Eggestein te Straatsburg; Ulr. Zell te Keulen; Sweynheim en Pannaerts te Subiaco en Rome, Ketelaar en de Leempt te Utrecht, Hendrik van Haarlem te Bologna, Gerard van Haarlem te Florence, Joh. Veldener te Leuven, Utrecht en Kuilenburg; William Caxton te Westminster, Nic. Jenson te Venetië. De boeken uit dezen tijd zijn zeer zwaar, vooral de koorboeken, bijbels, bijbel- en rechtscommentaren. Ze werden gebonden met houten planken, die geheel of gedeeltelijk met geplet leer werden overtrokken; het papier was dik en stevig.

Voor volksboeken was aanvankelijk kleinfolio een geliefkoosde grootte, tegen het eind der 15e eeuw waren kleine quarto’s in de mode. Psalters, getijdenboeken en andere gebedenboeken waren nog de eenige kleinere boeken. In 1467 waren de prijzen der boeken ⅕ lager dan vóór het drukken er van. In 1473 kwam er een drukkerij te Aalst; in 1474 te Brugge en Brussel; in 1477 te Deventer, Gouda en Delft; in 1479 te Nijmegen. Tot de in dezen tijd gedrukte boeken behooren: het Soliloquium van Thom. a Kempis, de Bible in duytsche en uitgaven der klassieken.

De bekendste drukkers der 16e eeuw zijn: de Aldi te Venetië, G. Bodoni te Parma, J. Froben te Bazel, Christoffel Plantijn (1554—’89) te Antwerpen, de Elseviers in Leiden en later in Amsterdam (1580— 1660), J. Badius te Parijs.De 16e eeuw. De vulgarisatie van het kleinoctavo en de invoering van een nieuw lettertype, het cursief, door Aldus in 1501, hadden een zoo groot succes, dat het cursief in 1570 het gewone Italiaansche lettertype was. In Engeland won de romein het van de Gotische letter. Voor de handschriften der klassieken kwamen Grieksche, Hebreeuwsche e.a. typen in gebruik.

Lyonneesche drukkers halveerden Aldus’ octavo’s en deze sextodecimo’s werden in Antwerpen nogmaals gehalveerd. Voor deze boeken werd dunner papier en bordpapieren omslagen gebruikt. Gouden stempelbanden kwamen in gebruik, soms van een zoodanige luxe, dat Fransche wetten er tegen optraden. De houtsneden buiten den tekst werden vervangen door kopergravuren.

Afgezien van de miniatuuruitgaven der Elseviers bereikte het drukken in de 17e eeuw het laagste niveau. In de tweede helft dezer eeuw kwam er een kleine vooruitgang, gedeeltelijk ten gevolge van een kleine verbetering der persen, het eerst in NoordNederland. In dezen tijd ging men de boeken, die niet langer neergelegd, maar neergezet werden, van opschriften op den rug voorzien. De prijzen stegen o.a. ten gevolge van octrooien en hooge schrijvershonoraria. Voor het drukken van muziek keerde men in deze eeuw terug tot het gebruik van gestempelde of gegraveerde platen.

In de 18e eeuw bracht men verbeteringen aan in papiersoort, typen en drukpersconstructie. De boeken kregen een aantrekkelijk, soms zelfs elegant uiterlijk. De illustratiekunst herleefde en ook het doorsneebindwerk was beter dan in de vorige eeuw.

In de 19e eeuw kwam er een aanzienlijke verandering in het uiterlijk der boeken ten gevolge van het gebruik van calico, later van laken voor de zgn. uitgeversbanden. Op het einde der eeuw kwam de photographische reproductie in gebruik, die mede door het daartoe vereischte gebruik van met kaolien gevuld papier, de kunst van het teekenen en graveeren verdrong. Het commercieele drukwerk ging zeer vooruit. De veranderingen door William Morris in den verschijningsvorm van het boek gebracht, liggen meer op het gebied der verluchting dan van den letterdruk, bladspiegel e.d. Aan de vraag naar goedkoope herdrukken van klassieke werken en in het algemeen aan de massabehoeften, geschapen door de groote toename van het lezend publiek, werd voldaan door vele zoowel matig als slecht verzorgde uitgaven. Het probleem van goedkoope en tegelijk aesthetisch verzorgde boeken zou eerst de 20e eeuw trachten op te lossen.

III. Het afdrukken van het boek. De boekdrukkunst of typographie maakt gebruik van losse lettertypen, vaste regels en cliché’s, waarbij het beeld verhoogd staat. Met een uit gelatine vervaardigde rol, welke van inkt is voorzien, wordt de inkt op het verhoogde beeld gebracht. Het vel papier wordt tegen dit verhoogde beeld aangedrukt en het resultaat hiervan is, dat men een afdruk van het beeld, hetzij letter, regel of cliché, op het papier verkrijgt.

De losse letters zijn rechthoekige metalen staafjes, ter hoogte van ongeveer 2 cm, waarop zich het letterbeeld in spiegelbeeld verhoogd bevindt. Tusschen de woorden komen staafjes, welke lager zijn dan de letters, waardoor op den afdruk de witte ruimten tusschen de woorden worden gevormd. Al het materiaal, dat op den afdruk blanco ruimte laat, wordt „wit” genoemd.

De zetmachines Intertype, Linotype en Typograph leveren vaste regels. De Monotype-zetma chine vervaardigt zetsel, bestaande uit losse letters.

Als het zetsel of de cliché’s drukklaar zijn, wordt het geheel in een ijzeren raam goed vastgezet en op de drukpers gelegd. De druk wordt uitgeoefend door de vlakke metalen plaat, degel genoemd, van een degelpers, of door een cylinder van een cylinderpers.

De goedkoopste boeken, waarvan groote oplagen worden vervaardigd, drukt men wel op rotatiepersen. Het zetsel is dan eerst geperst in een dikke laag daarvoor speciaal vervaardigd papier, matrijs genaamd. Deze matrijs wordt in een halfronden gietvorm gelegd, hierop wordt lood gegoten en de alsnu verkregen halfronde lettervorm wordt op een cylinder der rotatiepers bevestigd. Een drukcylinder, bekleed met vilt of een rubberdoek, drukt het papier tegen den lettervorm, welke intusschen van inkt is voorzien.

Over de verschillende soorten persen, → Drukpersmachine. Ronner.

IV. De verluchting van het boek. Terwijl in de handschriften de letterkolommen en de versiering ervan van dezelfde hand afkomstig waren en een harmonisch geheel vormden, kregen ten gevolge der boekdrukkunst tekst en illustratie elk een meer zelfstandige verzorging, nl. door drukker en graveur. Aanvankelijk werden letter- en illustratievorm der handschriften nagebootst, maar reeds spoedig vormde men op den druk berekende lettertypen en illustreerde men met houtsneden. Men zag af van de werking van meerdere kleuren en beperkte zich aanv. bij initialen en randen, later ook bij de eigenlijke afbeeldingen, tot het contrasteeren van het wit papier en de zwarte lijn. De houtsneden van Dürer konden met de miniaturen der beste handschriften wedijveren. In Ned. werkten Luc. van Leyden en Jac.

Cornelisz. van Oostsanen, bekend door zijn Mirakelprent. Het titelblad werd, ofwel met zuiver typographische middelen, ofwel door een drukkersmerk, een voor het boek representatieve scène uit een verhaal, een opdracht in beeld, gevormd. De beste kunstenaars van dezen tijd gaven aan de houtsnede hun krachten. Na een inzinking in de 16e eeuw brengt de Barok een opleving. De soberheid der houtsnede was niet meer van dezen tijd; in de kopergravure kon men zijn sierlust op uitbundige wijze botvieren. Het titelblad wordt een decoratieve gevel en in het boek krijgt de illustratie het overwicht over den tekst.

Sommige boeken worden geheel in koper gegraveerd. De beste werken komen in deze periode uit de ateliers van Elsevier, Blaeu, van Waesberghe, Plantijn, de Koninklijke Drukkerij in Parijs en die der Propaganda te Rome. Tijdens het Rococo verliep deze kunst in precieuze kleinkunst; deze periode is gekenmerkt door het plaatsen van een afbeelding van den schrijver voor de titelpagina, door illustraties, die een heele bladzijde innemen, en door vignetten. Aan het hof in Parijs vormden zich Fr. Boucher, Ch. Cochin, P. Choffard e.a., die in dit genre uitstekend werk leverden.

In Italië werkten Pinelli en Rossini, in Engeland Blake en Hogarth, in Duitschland Chodowiecki, Geszner, Schmidt en Unger. De tijd van het Klassicisme verlegde het accent weer op de typographische verzorging. Nieuwe typen werden gesneden bij Baskerville, Breitkopf, Bodoni, Didot e.a. Het Klassicisme streefde naar vereenvoudiging. Bewich voerde de houtgravure, Senefelder den steendruk in, die met de staalgravure verbonden werd. De volledige ontwikkeling dezer technieken volgde in de 19e eeuw. Daumier, Delacroix, Menzel, Richter, von Schwind en anderen muntten uit als illustrator.

Uit de tweede helft der eeuw zijn Gustav Doré en Fél. Rops vermelding waard, overigens werd het werk aan tweederangskrachten opgedragen. De photomechanische reproductiewijze werkte in dezelfde richting.

Tegen dit verval verzetten zich in Duitschland Hupp en Seitz, in Engeland Morris (Kelmscott Press), Ricketts (Vale Press) e.a.

Lit.: W. Morris et son influence sur les arts et métiers (Londen 1898); G. H. Pannekoek, De verluchting v. h. boek (1923); M. J. Schretlen, Dutch and flemish Woodcuts of the XVth century (1925); Bar-le-Duc, Les illustrations au XIX siècle; Martin, Le livre illustré en France au 15e siècle (1931); Calot e.a., ' L’art du livre en France (1931).

V. Het moderne boek. Omstreeks 1888 ontstond een reactie tegen de verwording van het oude kunstambacht, onder anderen door de werkzaamheid van William Morris in Engeland. De oude werkwijzen werden weer nauwkeurig bestudeerd, van het papiermaken, lettersnijden en inktmaken tot en met het drukken toe. Het gevolg was weldra, dat de „private presses” (particuliere artistieke drukkerijen), welke in Engeland ontstonden, navolgingen van ateliers werden, zooals die voor de uitvinding der door stoom gedreven persen en de zetmachines ingericht waren. Het voordeel was, dat men zich duidelijk rekenschap gaf van wat een boek is. Het nadeel werd evenwel, dat het boek in al zijn onderdeelen te veel een object van kunstnijverheid werd; ook dat aan de illustratie een te ruime plaats werd gegeven.

Sedert 1896 werkte Charles Rickets in denzelfden geest als Morris. Reactie op de geïllustreerde boeken kwam door Emery Walker, Cobden Sanderson (Doves Press) en C. A. St.-John Hornby (Ashendene Press). Zij legden zich toe op het zuiver drukken van boeken, uitsluitend waarde hechtend aan de letter, de initialen en het papier. De boekdrukkunst werd weer een kwestie van evenwicht tusschen letter en bladspiegel. Al de hier genoemde drukkers werkten zonder gebruik te maken van de technische uitvindingen der 19e eeuw. Een juist gebruik van deze uitvindingen wordt in de moderne boekkunst eerst gemaakt sedert ongeveer 1920.

Nederland. In Nederland ontstond in het laatste decennium der 19e eeuw onder invloed van William Morris en de pre-Raffaëlieten een beweging ten gunste van het schoone boek. Een schaar van jonge kunstenaars, waaronder A. J. Derkinderen, Dijsselhof, C. A. Lion Cachet, R. N. Roland Holst, T. Nieuwenhuis, J. G. Velheer, Theo van Hoytema en Jan Toorop ging zich hoofdzakelijk met het illustratieve gedeelte bemoeien. De illustraties uit deze periode staan voor een deel onder invloed der Engelschen, doch bijna ieder der hier genoemde kunstenaars vindt spoedig zijn eigen stijl. Geen der graphische kunstenaars is evenwel typographisch vakman geworden. Dit is de reden, waarom aan de illustraties een te groote plaats werd ingeruimd en de eigenlijke typographie op een vakman wachtte, die den stoot moest geven tot de vernieuwing van de eigenlijke boekkunst.

Kenmerkende boeken uit deze periode zijn: Vondel’s Gijsbrecht van Aemstel geïllustreerd door A. J. Derkinderen; Verwey’s Onno Zwier van Haren en Willem Bilderdijk, versierd door C. A. Lion Cachet; Sonnetten en Verzen van Henriëtte van der Schalk, verzorgd door R. N. Roland Holst. Alleen de firma Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem heeft onder invloed van haren firmant dr. Charles Enschedé de oude traditie weten te handhaven. In die periode drukte deze firma behalve opdrachten van Duitsche uitgevers enkele curieuze boeken als: Adam in Ballingschap, Der Vrouwen Peerle, en de Historie van Die Zeven wijse mannen van Romen. Daarbij werd in hoofdzaak gebruik gemaakt van het historische materiaal dezer firma.

Dit wordt uitvoerig beschreven in dr. Enschedé’s standaardwerk „Fonderies de Caractères et leur matériel dans les Pays-Bas du XVe au XIXe siècle”. Ook dr. P. C. Boutens begon in 1899 met het verzorgen van uitgaven van boeken, welke voor die periode uitmunten door goede verzorging. De meeste zijner uitgaven ontstonden in samenwerking met de firma Joh. Enschedé en Zonen.

Omstreeks 1903 begint de werkzaamheid van S. H. de Roos als boekversierder. Een vertaling en goedverzorgde uitgave van Walter Crane’s Kunst en Samenleving, door hem verzorgd, doet haar invloed gelden. J. Greshoff, dichter en journalist, die de gelegenheid kreeg om van de hernieuwing der boekdrukkunst in Engeland en Duitschland kennis te nemen, stichtte in samenwerking met mr. J. C. Bloem en later dr. P. N. van Eyck een uitgeverij (1909) „De Zilverdistel”, wier werkzaamheid later werd overgenomen door dr. J. F. van Royen en tot 1923 voortduurde.

S. H. de Roos werkte inmiddels aan de eerste moderne Nederlandsche boekletter, de Hollandsche Mediaeval, die er veel toe bijdroeg, om aan de boekkunst een nationaal karakter te geven. J. van Krimpen, die een bijzondere studie gemaakt had van de lettervormen der oude Romeinsche inscripties en van de Italiaansche calligraphen, begon als boekverzorger zijn carrière in 1916. De reeks „Palladium”, onder zijn leiding gedrukt, is een keurcollectie Nederlandsch drukwerk, dat kan wedijveren met het beste op dit gebied in het buitenland. Hij creëerde in 1925 de letter lutetia, thans van internationale reputatie, waarmede behalve in Nederland fraaie uitgaven in Engeland, Zwitserland en V. S. van Amerika zijn gedrukt. Inmiddels begonnen de vakscholen voor boekdrukkunst onder leiding van Ronner (Amsterdam) en Barten (Utrecht) aan de opgroeiende generatie van bedrijfsleiders en vakarbeiders betere begrippen omtrent de moderne typographie bij te brengen.

Doch ook uit de wereld der boekdrukkers kwamen twee figuren naar voren, die weldra door hun internationale werkzaamheid bekendheid hebben verworven: Charles Nijpels en A. A. M. Stols (deze laatste in samenwerking met zijn broeder ir. A. A. J. Stols); sedert 1920 nemen zij actief aan de moderne boek-kunst-beweging deel.

België. In België heeft de Engelsche invloed veel minder diep doorgewerkt; in het algemeen wordt er nog weinig belangstelling voor het schoone boek getoond. Het Waalsche deel van België oriënteert zich meest op Frankrijk en heeft geen bijzondere typografen opgeleverd. In Vlaanderen werkte voor den oorlog Julius de Praeter, die een kleine serie boeken van Guido Gezelle, Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck drukte. Na den oorlog is er veel verbetering ingetreden door de werkzaamheid van prof. Henry Van de Velde, architect, hoogleeraar en directeur van het Hooger Instituut voor Sier- en Nijverheidskunst te Brussel, in samenwerking met J. Buschmann en Joris Minne. Henry Van de Velde werkte tijdens den oorlog in Weimar en leidde er gedurende de afwezigheid van graaf Harry Kessler de Cranach Presse.

Van de jongeren moet vooral Willy Godenne genoemd worden. Pogingen om beter werk te brengen gingen uit van de groep „Lumière te Antwerpen, van „Le Balancier” te Luik en „De Standaard” te Antwerpen. Door Henry Van de Velde wordt een jonge schaar van drukkers opgeleid, van wie verwacht mag worden, dat zij het boek in België een eigen karakter zal bezorgen.

Engeland. De Engelschen zijn de eersten geweest, die hebben ingezien, dat de machine, die de oorzaak van de verwording der boekdrukkunst was, een nieuw element in de boekdrukkunst, doch thans in opbouwenden zin, kon worden De uitvinding van een zetmachine, die losse letters giet, de zgn. monotype, benaderde dermate het zetten met de hand, dat hier van een gevaar voor de kunst geen sprake meer kon zijn. Ook zag men in, dat een machinaal gedreven pers even goed drukwerk kon leveren als een handpers.

Na tot deze inzichten gekomen te zijn, begonnen enkele uitgevers mooigedrukte boeken, in hoofdzaak met machinale procédé’s vervaardigd, uit te geven. Francis Meynell en zijn Nonesuch Press hebben hier voortreffelijk werk verricht. De drukkerijen van de universiteiten van Oxford en Cambridge laten ook een groot deel hunner boeken op de monotype zetten. Deze werken behooren tot het beste, dat in Engeland gemaakt wordt.

Ook werken er nog met de hand gedreven persen o.a. de Golden Cockerell Press, en de onlangs opgerichte „Press” van Eric Gill, den Kath. beeldhouwer, houtsnijder en letterteekenaar. Commercieele drukkerijen, die zich toeleggen op het goedverzorgde boek, zijn o.a. de Curwen Press (Harold Curwen en Oliver Simon), de Westminster Press, de Kynoch Press en Clark & Clark. In Engeland wordt de boekdrukkunst in den modernen zin des woords op intelligente wijze beoefend, al winnen Frankrijk en Duitschland het in vindingrijkheid van moderne elementen. Stanley Morison heeft door zijn geschriften en zijn adviseurschap der Lanston Monotype Corporation en der Cambridge University Press grooten invloed op de hedendaagsche boekdrukkunst.

Vereenigde Staten van Amerika. De typographie in deze landen sluit zich nauw bij de Engelsche drukkunst aan. De Merrymount Press van D. B. Updike is de voornaamste „private press”. Zij oefent grooten invloed uit op de andere drukkers, die zich met het schoone boek bezighouden. In universitaire milieu’s wordt veel aandacht aan het boek besteed, bijv. in Pittsburg, waar de Laboratory Press van het Carnegie Institute of Technology onder leiding van Porter Garnett werkt. Deze onderwijsinrichting heeft grooten invloed op de vorming der hedendaagsche generatie van drukkers.

In het algemeen is de invloed van Europa zeer groot. Bruce Rogers (the Riverside Press) neemt onder de letterteekenaars een zeer bijzondere plaats in. Zijn productie behoort met die van Updike tot de beste. Goede commercieele drukkerijen zijn o.a. de Pynson Printers (Elmer Adler) te New York en de Lakeside Press (Donnelley & Co) te Chicago.

De Harvard University Press, adviseur Bruce Rogers, en de Yale University Press, adviseur Carl Purington Rollins, volgen de werkzaamheid der Engelsche universiteitsdrukkerijen na.

De uitgevers Crosby Gaige en Riminton & Hooper (beiden te New York) vertrouwen het drukken aan bevoegde kunstenaars toe. Boeken in groote oplagen uitgegeven en goed verzorgd, zooals bijv. die van het Insel-Verlag, vindt men bij Alfred A. Knopf (NewYork).

Frankrijk. Frankrijk heeft zich misschien het meest van alle landen vrijgehouden van den invloed van Morris. De boekdrukkunst heeft er ten allen tijde enthousiaste beoefenaars gekend. Na een teruggang in de vorige eeuw onder invloed der machine, heeft Pelletan ca. 1912 de Editions-de-luxe op hun goede basis terug weten te brengen. Toch is zijn invloed niet zeer groot geweest. Verdienstelijk werk werd in zijn eest verricht door Crès, Ad. van Bever, Helleu & Sergent, en enkele uitgaven van Cl. Aveline.

Voor deze uitgaven werd vaak gebruik gemaakt van het materiaal der Imprimerie Nationale te Parijs. Léon Pichon heeft zich sinds 1914 doen kennen als een zeer voornaam boekdrukker. In de laatste jaren wijdt hij zich uitsluitend aan het drukken van boeken in „typographie pure”. De richting om het ongeïllustreerde boek in Frankrijk een gelijkwaardige plaats te bezorgen aan die van het geïllustreerde boek vindt thans veel aanhang. C. Nijpels en A. A. M. Stols hebben daar door hun Fransche uitgaven en hun invloed op Fransche collega’s veel toe bijgedragen. Toch is Frankrijk nog steeds bij uitstek het land van het geïllustreerde boek.

Pichon heeft in samenwerking met de houtsnijders Carlègle, Hermann-Paul en Alfred Latour een serie boeken voortgebracht, die voor dezen tijd zeer belangrijk zijn. In koper gegraveerde of geëtste illustraties werden toegepast door de kunstenaars J. Laboureur, H. David, Dignimont, Marie Laurencin, Ch. Martin, A. E. Marty en D. Calanis. Ook steendrukken en met de hand gekleurde teekeningen worden als procédé van boekillustratie gebruikt. Behalve door de Imprimerie Nationale, welke nog over een zeer belangrijk historisch lettermateriaal beschikt, worden er in hoofdzaak kopieën van oude letters gebruikt.

Naast Léon Pichon werken nog als drukkers-uitgevers van schoone boeken Louis Jou en G. Daragnès. Zij zijn tevens illustrator. Commercieele drukkerijen, die goed werk leveren, zijn Coulouma te Argenteuil, M. Danantière te Epinay; Kaldor te Parijs en Hérissey te Evreux. De Engelsche illustrator J. Buckland Wright, ook in Nederland zeer bekend, werkt thans in Parijs.

Denemarken. Fr. Kongstad is de voornaamste persoonlijkheid. Verder P. Sabije en A. Jorgensen, de kunsthistoricus V. Wanscher. De boekband vindt goede verzorgers in J. Baden en A. Kyster.

Duitschland. De invloed der prae-Raffaëlieten deed zich omstreeks 1890 gelden bij illustratoren als Melchior Lechter (die de werken van Stefan Georg verzorgde) en bij Marcus Behmer. De drukkerij Otto von Holten was de werkzaamste. Ook de Münchener decoratieve school doet zich gelden. Het tijdschrift „Pan” onder Otto Julius Bierbaum, neemt van 1895 af de leiding bij de strooming voor de herleving der boekdrukkunst. In dien kring werken de letterteekenaar en boekverzorger E. R. Weiss, P. Behrens, Eckmann en Th. Th. Heine.

In 1896 begint de invloed van het tijdschrift „Simplicissimus” en van Heine en de activiteit van den uitgever Eugen Diederichts. Deze laatste werkte veel samen met F. H. Ehmke, later vooral als drukker en letterteekenaar bekend. Zijn invloed op de uitvoering van het gewone en van het luxueus gedrukte boek is zeer groot geweest. De „Insel Verlag” werd in 1899 gesticht. In samenwerking met de drukkerij van W. Drugelin te Leipzig ontstond een prachtige reeks uitgaven. De leiding daarbij hadden Bierbaum, Heymel en R. Schröder.

Oorspronkelijk stond deze groep onder invloed der Engelschen, voornamelijk van Beardsly. Vogeler, Tiemann en Behmer gingen tot de geregelde medewerkers behooren. Ca. 1900 doet de kunstenaarskolonie van Darmstadt van zich spreken. De Belgische architect Henry Van de Velde en zijn landgenoot Lemmen hebben ook hier merkwaardig werk geleverd. Baanbrekende arbeid werd verricht onder de stimuleerende werkzaamheid der lettergieterij van K. Klingspor (Offenbach), welke letters van Eckmann, Behrens, Tiemann en Koch in den handel bracht en van andere. Er ontstonden een groot aantal „Privat-Pressen”.

In de eerste plaats de Janus-Presse van Poeschel en Tiemann. De groothertog van Hessen stelde de gebr. Kleukens in staat om de Ernst-Ludwig-Presse op te richten. Een der belangrijkste is de Bremer-Presse van W. Wiegand, waarvoor Anna Simons initialen en titels in hout sneed. F. H. Ehmke richtte de Rubbrecht-Presse op en gaf tezamen met Hirth een reeks merkwaardige boeken uit; de Officina Serpentis werd opgericht en geleid door E. W. Tieffenbach; in Aken werkte de Eginhard-Presse; in Offenbach gaven Koch en Gerstung de zgn. Rudolfinische Drücke uit.

In Leipzig en Berlijn ontstonden gezelschappen van boekenliefhebbers, die zelf de verzorging van schoone boeken ter hand genomen hebben. De Leipziger Akademie für Graphische Künste und Buchgewerbe krijgt steeds meer invloed op de vorming van de jonge drukkers en illustratoren. Dit tijdperk kenmerkt zich door een streven naar typographische perfectie. Een kring boekliefhebbers toonde veel belangstelling voor de „Berliner Sezession”, waarvan de uitgever P. Cassirer het middelpunt en Max Slevogt de bekendste illustrator is. Er ontstond ook een mode voor den Rococo-stijl: werken als Le Chevalier de Faublas en Don Quixote werden door K. Wasser op geestige wijze met etsen geïllustreerd. Een belangrijke onderneming was die der „Tempel Klassiker”: een reeks, welke de klassieken in uniforme uitgaven bracht, waarvoor E. R. Weiss een Fraktur-letter ontwierp; dezelfde verzorgde ook de uitgaven Fischer te Berlijn; hier was zijn arbeidsveld schier onbeperkt.

Van Hans von Weber zijn bekend de zgn. Hundert-Drücke, die voor een groot deel bij Enschedé met zijn historisch materiaal gedrukt werden, en de Drei-Angel Drücke. Onder invloed van versch. tijdschriften ontstond weldra een vloed van geïllustreerde boeken. Tuch, Stern, Pascin, Scheurich, Kubin, Beeh maakten verluchtingen in impressionistischen stijl. Van de expressionisten noemen wij Kokoschka, Kirchner, Pechtstein. Deze groote productie is van invloed geweest op den stijl van het gewone boek.

De uitgeverijen Julius Bard, Rütten en Loenig, Julius Zeitler, Delphin-Verlag, Piper, Klinkhardt en Biermann, Musarion-Verlag, Hugo Schmid, lieten hun goedkoope boeken op voortreffelijke wijze verzorgen. Ook aan de uitgeversbanden werd veel zorg besteed. Voor de luxueus verzorgde dure boeken kwam ook het bindersambt in eere. Paul Kersten is er de grootmeester van. De uitgeversbanden werden met liefde verzorgd in groote binderijen als Hübel & Denck.

Ondanks den oorlog zag de uitgeverij Kurt Wolff te München kans om in expressionistischen stijl werk van moderne auteurs uit te geven. Na 1919 werden krachtige pogingen aangewend om het Duitsche boek op het vroegere peil terug te brengen. Vele „Privat-Pressen” zijn evenwel tot stilstand gebracht. Het gewone Duitsche boek staat thans nog op een hoog peil. Van de thans nog in werking zijnde „Privat-Pressen” moeten genoemd worden de „Bremer Presse” van Willy Wiegand en de „Cranach Presse” van graaf Kessler.

Rusland. Na de revolutie werd Moskou het centrum van den staat, die ook zelf het uitgeven ter hand nam. Slechts enkele particuliere ondernemingen werken er, door den staat gecontroleerd. Aan het kinderboek, aan de goedkoope uitgave in kleurigen omslag wordt veel aandacht besteed. De houtsnede is een geliefd procédé; kunstenaars als Wladimir Favorskij, P. Pavlinow, N. Piskarow, J. Sjpinell, A. Gontcharow, N. Padalitzin zijn thans de bekendste illustratoren.

Het typographische gedeelte is door het ontbreken van nieuwe Russische letters, behoorlijk papier en goeden inkt niet op Europeesch peil. In Leningrad werken N. Brümmer en S. Motchalow. In Kazan wordt op boekdrukkunstig gebied zeer goed werk geleverd.

Finland. Naast Carolus Lindberg, architect en teekenaar, hoogleeraar te Helsingfors, werken O. Furuhjelm, illustrator, A. Gallén-Kallela, A. Gebhard, B. Tuukkanen en T. Vikstedt.

Italië. De groote stoot tot verbetering werd sedert 1904 gegeven door den Florentijnschen drukker Raffaelo Bertieri. Hij nam van 1921—1925 de leiding van de „Scuola del Libro” te Milaan. In 1913 maakte de gieterij Nebiolo te Turijn een copie van een letter van Bodoni, die grooten opgang maakte; in 1920 vervaardigde hij de incunabula-letter naar het voorbeeld van Ratdolt (15e eeuw); verder moeten nog de Paganini, de Ruana en Umanistica genoemd worden; aan behoorlijk materiaal ontbreekt het dus niet. De uitgever Mondadori heeft voor een serie klassieken een eigen letter, de Pastonchi, laten teekenen. De uitgaven van Mondadori (Verona), Modiano (Milaan) en G.Giannini (Florence) kenmerken zich door goede verzorging.

De houtsnede kwam tot grooten bloei na den oorlog. De kunstenaars groepeerden zich in het tijdsclirift „Eroica”. De bekendste houtsnijders zijn Adolfo de Carolis en Molnar. De regeering heeft veel aandacht besteed aan het schoolboek. Terecht zeer bekend is de „Officina Bodoni” onder leiding van Hans Hardersteig te Verona, welke van de regeering toestemming heeft gekregen om de lettersoorten van Bodoni te gebruiken en met dit materiaal boeken gedrukt heeft, die kunnen wedijveren met het beste, dat thans in Europa geproduceerd wordt.

Joego-Slavië. Illustratoren zijn L. Babic, B. Jakac, O. Höcker, V. Kirin, T. Krizman en I. Vavpotic. Tot heden is nog geen groot werk geleverd.

Noorwegen. Van de hedendaagsche drukkers moeten genoemd worden S. D. Beijer (Bergen), A. W. Brögger en de Centraltrykkeriet (Oslo), J. Dreijer, Gröndahl & Sön, M. Kirste, M. Johannesens, E. Moestue (allen te Oslo). Illustratoren zijn Y. Anderson, O. Gulbransson, A. Jarü (Oslo), P. Krohg.

Oostenrijk. Tot het begin der 20e eeuw gold vooral de invloed van Heinrich Lefler en van baron Myrbach. De Oostenrijksche staatsdrukkerij onder de voortreffelijke leiding van Koloman Moser, later van Rudolf Junk, leverde uitstekend werk. Een aantal der beste illustratoren verliet Oostenrijk om in Duitschland een betere werkgelegenheid te vinden. Hier moeten als specifiek Oostenrijksche kunstenaars genoemd worden F. Schmutzer, F. Schirnböch en A. Cossmann.

Als drukkers nemen een bijzondere plaats in R. Haas, letterteekenaar, houtsnijder en drukker, oprichter der Officina Vindobonensis (geb. 1898). Zijn boeken behooren tot de beste, welke daar worden voortgebracht. Hertha Ramsauer behoort mede tot de merkwaardigste figuren. In het algemeen zijn er te veel illustratoren en te weinig goede drukkers; ondanks de moeilijke tijden na den oorlog komt er nog vrij geregeld merkwaardig werk van de persen. H. Reichner (Weenen) is met zijn tijdschrift „Philobiblion” een ijverige propagandist voor het mooie boek.

Polen. S. Wijspienski, dichter en schilder, tevens regisseur, en Jan Bukowski benevens de drukkers W. Anczijc, N. Telz, J. Tilipowski en L. Boguslawski (in Warschau) zijn te noemen.

Spanje. De moderne drukkunst, die nog een eigen karakter mist, wordt gepropageerd door L. Aguirre. Moderne boekkunstenaars zijn H. Alsina (Barcelona), Espasa-Calpe (Madrid), Richard Gans (Madrid) en Gustavo Gili (Barcelona). In 1918 begonnen onder leiding van den abt Marcet de monniken van Montserrat in de oude drukkerij, in 1499 gesticht door den Duitschen drukker Luschner, en in 1518 door Rosembach gerestaureerd, boeken van modem karakter te publiceeren. De drukkerij van Oliva y Mila a Vilanova legt zich op het drukken van bibliophiele uitgaven toe.

Bekende illustratoren zijn thans F. Botey, J. Loygorri-Pimenthel en F. Reyes. De illustraties van Castro Gil voor Las Hogueras de Castillo behooren tot de beste van wat in het moderne Spanje is voortgebracht. Een merkwaardige uitgave is de Quijote del Centenario, waaraan een geheele schare illustratoren hebben medegewerkt.

Tsjecho-Slowakije. Na de schilderes Zdenka Braunerova moet Vojtech Preissig genoemd worden. Hij heeft een letter geschapen voor de Tsjechische bibliophiele uitgaven. Jaroslav Benda, boekverzorger, illustrator, V. H. Brünner en F. Kijsela droegen bij tot de vorming van een generatie goede illustratoren: van de jongere generatie moeten genoemd worden Cyril Bouda, Hugo Böttingen, Jozef Capek, Karel Masek, Vaclav Masek, Jan Rambousek, Karel Svolinsky, Jan Stenc, Karel Teige en Josef Vachal. Als uitgever moet genoemd worden Arthur Nováh, redacteur van het tijdschrift voor boekenvrienden „Vitrinka”.

Onder de graphische tijdschriften neemt „Hollar” eerst onder Jan Rambousek, thans onder Novah, de leiding. Eigen lettertypen ontwierpen S. Tusar en O. Menhardt. De moderne boekdrukkunst staat op een zeer hoog peil.

Er bestaat een sterke wisselwerking tusschen drukkers, letterteekenaars en illustratoren. De bekenste drukkers zijn K. Dyrynk (Staatsdrukkerij); M. Kaláb (Industrieele drukkerij); verder de drukkerij en uitgeverij „Orbis” (Praag).

Zweden. William Morris vond een bewonderaar in W. Zachrisson en in H. Lagerström, die studie van de Renaissancistische boekdrukkunst had gemaakt. De zuiver typographische richting wordt geleid door Kumlien. Een zeer gewilde letter is de zgn. Cochin.

Het geïllustreerde boek wordt er met liefde verzorgd door Yngve Berg. De Fransche 18e-eeuwsche typographie en illustratie, de zgn. Biedermeierstijl en de prae-Raffaëlieten hebben er hun invloed laten gelden.

Adrian-Nilsson staat onder invloed der middeleeuwsche houtsnijkunst.

Zwitserland. Het prachtige verleden was in Zwitserland geheel in vergetelheid geraakt en is sedert kort herleefd. Het kleine afzetgebied voor ieder der landstalen is hier van invloed. De Kunstgewerbeschule te Zürich heeft evenwel tot de herleving der boekdrukkunst zeer veel bijgedragen. Een der voornaamste drukkerijen is die der gebroeders Fretz te Zürich, waar W. Cyliax-Krauss artistiek leider is.

De invloed van P. Karnmüler, leider der graphische afdeeling der kunstnijverheidsschool te Bazel, is ook zeer groot. H. Vollenweider, illustrator en boekdrukker, heeft als leider der Johannis-Presse en van de Züricher Drücke te Rüschlikon uitnemend werk verricht. B. Mangold, illustrator te Bazel, en E. Kreidolf te Bern zijn typische vertegenwoordigers van de eerste periode van de herleving der illustratie. Stols.

VI. Boekbinderij en boekbindkunst.

De boekbinderij, een der oudste ambachten, beoefend door de schrijvers der boeken, ontwikkelde zich in Perzië en Arabië reeds vóór de 10e eeuw tot een zelfstandig beroep. In Europa aanvankelijk kloosterwerk, werd de boekbinderij in de 14e eeuw ambachtskunst. In verschillende landen kwam de boekbindkunst tot hooge ontwikkeling. In den loop der 19e eeuw begon de overgang naar industrie, die zich in het begin dezer eeuw algemeen voltrok. De boekbinderij is onderscheiden in de kantoorboekbinderij en de partijwerkbinderij. Eerstgenoemde met opleving van den handel, industrie en scheepvaart sterk uitgebreid, wijzigt zich door invoering van kantoormachines, kaartsystemen en dgl. losbladige boeken.

De partijwerkbinderij heeft het handwerk uitgeschakeld. De werkzaamheden worden machinaal en vlugger verricht, waardoor het boek bezit der massa kan worden. Door sierkunstenaars in samenwerking met vak-technici wordt het uiterlijk verzorgd, zoodat het kunstgevoel bevrediging vindt. Het handgebonden boek bouwt den boekband op, aan ieder boek afzonderlijk. Het in partij gebonden boek vervaardigt boekblok en boekband afzonderlijk.

Deze werkwijze kan alleen bij zware boeken bezwaar opleveren. De bewerking der verschillende onderdeden is machinaal. De versiering der banden door gebruikmaking van verschillende drukprocédé’s past zich aan bij het eenvoudige bewerkingsproces. Tal van boekbindersbedrijven in ons land staan in technische uitrusting en scholing van het personeel in geenen deele bij Duitschland, dat in het begin dezer eeuw in deze den toon aangaf, ten achter.

Van boekbindkunst kan men reeds spreken bij de Perzische, Arabische, Egyptische en Turksche boekbanden uit de 9e en 10e eeuw. De boekvorm en formaten waren in die landen toen reeds vrijwel gelijk aan de tegenwoordig gangbare, dank zij de bekendheid met papier (in de 8e eeuw uit China overgebracht naar Arabië). De bekleeding dezer boeken is leder, nu nog de meest duurzame grondstof voor den boekband. Kenmerkend voor den Oosterschen boekband is de klep ter bescherming der voorsnede. Zoowel deze als de band werd ook veelal aan de binnenzijde versierd met blind-, verf- en gouddruk. Dank zij de wijze van looiing is het leder nog in goeden staat en gouden verfdruk nog intact.

De boekvorm in Zuid-Europa was aanvankelijk de boekrol. Wegens de stugheid van het perkament werd de rolvorm vervangen door het gevouwen perkament, onzen tegenwoordigen boekvorm. Uit het achter elkander bevestigen dezer gevouwen vellen ontstond het boek, weldra beschermd door houten dekbladen. De overschrijvers der boeken, slaven, later monniken, librarii, waren ook degenen, die de perkamenten tot een boek verwerkten. De versieringswijze der oude schrijftafeltjes der Romeinen, diptycha (dubbele),werd ook op de dekbladen (planken) der boeken toegepast. De portretten der Caesars of allegorische en mythologische voorstellingen werden in de 6e eeuw vervangen door bijbelsche en kerkelijke afbeeldingen.

Bewaard is kostbaar snijwerk in de houten plank, ingelegd ivoorsnijwerk, zilver- en gouddrijfwerk op platten en ruggen, emailwerk, edelsteen en dgl. De boekbindkunst behoort uitdrukking te geven aan het karakter van het boek. Goede voorbeelden hiervan zijn vele Missalia en andere boeken voor kerkelijke doeleinden. De luister van den godsdienst spreekt uit de technische volkomenheid van de boekdrukkunst. Prima materiaal is verwerkt en de versiering is hiermede in overeenstemming.

In het begin der 15e eeuw kwam er een omkeering door de uitvinding van de boekdrukkunst. Leeken boekbinders, die in de 14e eeuw in het universitair verband opgenomen waren, werden nu zelfstandige ambtslieden. Sterk beïnvloed wordt de boekbindkunst door den handel op den Levant. → Manutius. Door den boekenliefhebber Crolier werd de bindkunst overgebracht naar Frankrijk. Ze werd aldaar door het hof voornamelijk beschermd.

Bijzondere privileges ontving Le Gascon (óf binderóf band-genre). Binders: Du Seuil, Florimond Badier, Louis Douceur, Padeloup, Derome, Le Monnier, e.a.

Een inzinking valt waar te nemen op het einde der 18e eeuw. In Italië heeft de boekbindkunst zich in eigen richting ontwikkeld, in Engeland en de Nederlanden werd zij sterk beïnvloed door Frankrijk. In Nederland waren in de 17e eeuw binders: Hendrik Jansz, Gerrit Hendriksz, Gerrit Jansz, Frans van Lieshout, Bruno Spanceerder. Vooral bekend is: Magnus Heyndricksz, Hendrick en Albertus Magnusz. De versiering is overeenkomstig met die van den Le Gascon-band. Verder waren er binders van atlassen en stedeboeken van Blaeu en Joodsche gebedenboeken.

De perkamentbanden behooren tot het kenmerkend Nederlandsch werk. In navolging van Italië maakte Magnus bijzonder werk van de sneeversiering, goudsnede, geciseleerd en beschilderd. Duitschland heeft eigen genre: zwijnslederbanden, waarvan de versiering bestaat uit Gotische motieven in blok- en rollendruk. Later komt Duitschland onder invloed van Italiaansche en Fransche binders. Het Moorsch en oud-Spaansch bindwerk onderscheidt zich door blinddruk en eigen motieven. Een herleving valt te constateeren op liet einde der 19e eeuw.

Aanvankelijk copieert men ouder Fransch werk. Een eigen richting slaat Engeland in met Gobden-Sanderson, den amateur-boekbinder. In Nederland begint einde 19e eeuw de invloed der sierkunstenaars. Enkele kunstbinders leveren goed werk, boekenliefhebbers stimuleeren tot verbetering.

De goudleder-techniek herleeft. Een opleving met eigen versieringsrichting toonen de Skandinavische rijken, Denemarken, Oostenrijk, Duitschland en Engeland, Tsjecho-Slowakije en Polen na 1918. Frankrijk en België maakten zich in latere jaren los van oude versieringswijze. In Nederland ging de ontwikkeling meer in industrieele richting.

Lit.: W. Weale, Bookbinders and rubbings of bindings in the Nat. Art. Libr. S. Kensington Mus. (Londen 1894); Hulshof en Schretlen, De kunst der oude boekbinders (1921); J. Loubier, Der Bucheinband ; H. Schreiber, Einführung in die Einbandkunde (Leipzig 1932). F.v.d.Bom.

VII. Iconographie.

In de eerste tijden der Christelijke kunst werd veelal i.p.v. het boek de boekrol gebezigd. Omtrent de iconographie van ’t b. kunnen volstrekt algemeen geldende regels niet worden opgesteld:

vele heiligen hebben door de een of andere toevallige omstandigheid een boek bij zich: zoo draagt de H. Antonius van Padua een boek, waarschijnlijk, omdat hij in de vroegste afbeeldingen een pendant was van Sint Franciscus, die als Ordestichter een boek in de handen hield. Het b. heeft in de Christ. kunst verschillende beteekenissen:

1° als het wetboek (of de rol der wet): zoo geeft op vroeg-Christ. schilderingen en sculpturen God de wet aan Moses, Christus aan de Apostelen. In die beteekenis komt het b. voor bij Ordestichters en waarschijnlijk bij abdissen; als attribuut bij de Rechtvaardigheid;
2° als H. Schrift (niet zelden ook als het wetboek opgevat): zoo bij de Evangelisten (Evangelieboek), later uitgebreid tot alle Apostelen, bij de Profeten, die nog lang de boekrol blijven dragen, bij de Kerk, naast den kelk met pateen op het altaar (Evangelieboek). In verband daarmede mogen hier genoemd worden de Sibyllen, die ook meestal met b. worden afgebeeld (de Sibyllijnsche boeken);
3° als symbool van wetenschap en kennis: bij de kerkvaders en kerkleeraars, bij de grammatica, de astronomie en de prudentia (bij deze laatste soms drie: het boek van het verleden, van het heden en van de toekomst);
4° als het met zeven zegels verzegelde boek (Apoc. 5. 1) van Gods raadsbesluiten; zoo bij Christus in de glorie; soms ligt het Lam op het boek. Op een venster in de kathedraal van Bourges geeft de Engel aan Christus in den Olijfhof een b. (Gods raadsbesluiten omtrent Hem);
5° als het Boek des Levens (Apoc. 20. 12): zoo bij de Majestas Domini (soms met de letters A en O; Apoc. 1.18), bij de Etimasia (niet zelden met het woord Vita erop);
6° in enkele bijzondere gevallen, waardoor het b. met den een of anderen heilige verbonden is: H. Bonifatius: een met zwaard doorboord boek; Gorkumsche martelaren: boek met tiara en sleutels. Knipping.

VIII.Heil ige boeken in den werkelijken en volledigen zin van het woord zijn die boeken, welke volgens de onfeilbare uitspraak der Kath. Kerk geïnspireerd zijn, dus behooren tot den Bijbel.

Op analoge wijze kennen ook andere godsdiensten heilige boeken. Dit zijn dan geschreven en tot één geheel vereenigde verzamelingen van de grondslagen der leer of van bepaalde uitspraken, gebeden en formules, waaraan men een bijzonder gezag meende te moeten toekennen. Zoo kent bijv. de Islam als heilig boek den Koran, het Hindoeïsme de vier Weda’s. Ook het Boeddhisme heeft zijn heilige boeken, terwijl bij Chineezen en Perzen de scheiding tusschen „heilige” en profane literatuur minder scherp is te trekken.

Het op schrift stellen gebeurde soms pas na lange mondelinge overlevering. De Indische Weda’s, ofschoon slechts mondeling overgeleverd (hun codificatie is pas van jongen datum), rekent men toch tot de heilige boeken, omdat ze één blijvend geheel zijn van formules van verschillenden aard.

IX.Liturgische boeken. Onder liturgische boeken worden de boeken verstaan, die de liturgie, d.i. den openbaren godsdienst der Kerk, bevatten of omschrijven, en als zoodanig door de Kerk zijn voorgeschreven ofwel erkend. Zij ontstonden geleidelijkweg, onder den drang der noodzakelijkheid om, bij de ontwikkeling der liturgie, haar vormen vast te leggen en te behouden, iets waartoe het menschelijke geheugen op den duur niet in staat bleef. Het eerste ons bekende, de Didachè (tweede gedeelte), dagteekent nog uit de dagen der Apostelen zelf. Hierop volgt de Apostolische Traditie van St. Hippolytus van Rome, uit het begin der derde eeuw, inhoudend: misgebed (➝ Anaphoor), doopritueel en wijdingsgebeden.

Wat wellicht in den tusschentijd bestond, bleef niet bewaard. Dezelfde eeuw brengt ons nog de Didascalie der Apostelen. Dan vervolgt het Oosten in de vierde eeuw met het Euchologium van den H. Serapion van Thmuis, de Apostolische Constituties, enz.; voorts in de 6e eeuw met het Testament onzes Heeren, enz. Zoowel in het Westen als in het Oosten waren intusschen kalenders verschenen, waarvan de oudste ons bekende een Romeinsche is uit de eerste helft der vierde eeuw (gedagteekend 366).

Daarna vangt, met het einde der zevende eeuw, de periode aan, die loopt tot het einde der M. E., en die ons een overvloed van documenten naliet van eiken ritus: Romeinsche, Gallicaansche, Ambrosiaansche, Keltische, Mozarabische.

I. Tekstboeken.
1° Sacramentaria: het Sacramentarium leonianum, opklimmend in onderdeelen tot de 5e (4e?) eeuw; het Sacramentarium Gelasianum, ten deele opklimmend tot de 5e eeuw; het Sacramentarium Gregorianum, van omstr. 700, in zijn oudst overgeleverd en, maar reeds bijgewerkten vorm; het Missale gothicum (omstr. 700); het Missale gallicanum vetus (omstr. 700); dat van Bobbio (ook genoemd Sacramentarium gallicanum; 7e eeuw); dat van Stowe (7e—-10e eeuw?); de Sacramentaria van Biasca (9e—10e eeuw) en van Bergamo (10e—11e eeuw); het Liber sacramentorum (10e eeuw), e.a., benevens meerdere fragmenten.
2° Lectionaria of Epistolaria, Evangeliaria (lezingen uit de H. Schrift, voor de Mis en het Koorgebed), Psalteria; Homiliaria (homilieën voor het Koorgebed), Passionaria of Passionalia (lezingen van heiligenlevens voor het Koorgebed), Martyrologia (uitgebreide Kalendaria), Martyrologium hiëronimianum; verder Benedictionalia voor bisschoppen (in Frankrijk en Duitschland), en later Pontificalia (9e eeuw enz.); voor priesters: Agenda, ook genoemd Sacerdotale, Pastorale, Manuale, Obsequiale (het Liber Ordinum in den Mozarab. ritus).
3° Zangboeken: het eerst bekende, Antiphonarium genaamd, opklimmend tot den H. Gregorius den Gr., later gesplitst in Graduale (Cantatorium), Responsoriale en Antiplionarium (of Antiphonale); vervolgens de Prosaria (Liber Sequentialis), de Troparia en de Hymnaria; eindelijk bloemlezingen als de Processionalia. Eigen aan den Ambrosiaanschen ritus was een Manuale, ten gebruike in het Koor, met vele bijvoegsels.

II. Ceremonieboeken, onder den naam van Ordines, Ordinaria (dateerend, wat den inhoud betreft, van de 7e eeuw af); waarbij te voegen zijn de Consuetudines der verschillende kloosters en kloosterorden.

Uit deze alle tezamen vormden zich, tegen het einde der M. E., door samensmelting, de hedendaagsche boeken, zooals die verschenen na ’t Concilie van Trente en sindsdien: Missaal, Brevier, Martyrologium, (Octavarium, een bundel bijzondere Lectiones), Pontificale romanum, Caeremoniale episcoporum (Memoriale rituum), Graduale, Antiphonale diurnum, Responsoriale, Processionale; uittreksels: Kyriale, Cantorinus, Officium pro Defunctis, Officium Majoris Hebdomadae; een jaarlijks verschijnend Directorium of Ordo.

In het Oosten vormden zich de liturgische boeken volgens iederen ritus, min of meer afzonderlijk; zij verschillen heden bovendien onderling, als niet dezelfde bij de Schismatieken en bij de Katholieken. Die der laatsten komen meer overeen met de hedendaagsche Westersclie. Bij de andere is, in den regel, de Misliturgie gesplitst in een boek voor den priester en een voor den diaken (en het koor); het eerste bevat meestal tevens de Sacramenten en de Sacramentaliën, gelijk de Sacramentaria van het Westen. Afzonderlijk bestaan ook veelal de lezingen uit de H. Schrift, en die van heiligenlevens. Verder een psalter.

De Byzantijnsche ritus heeft vele boeken: een missaal, pontificaal en rituaal tezamen: Euchologion, met een uittreksel: Leitourgicon; een lectionarium voor het O. Test.: Anagnosticon, voor de Evangelies: Evangelion, voor de rest van het N. Test.: Apostolos of Praxapostolos; voor den diaken: Hiërodiaconicon. Voor het Koorgebed een zes- of zevental boeken: het onveranderlijke gedeelte: Horologion, het Psalterion, de gezangen voor den Vastentijd (ook voor de Mis): Triodion, die voor den Paaschtijd (tot Zondag na Pinksteren): Pentecosticon, die voor de rest van het jaar: de groote en de kleine Octoechos, het Eigen der Heiligen: de Meneeën. De hss. dezer boeken zijn veelal van de 12e en 13e eeuw en later, enkele klimmen op tot de achtste, de kern hunner inhoud reikt soms tot de bovengenoemde uit de Oudheid. Zie verder bij de trefwoorden. Louwerse.

X.Het dikke boek , spotnaam, door de Unitarissen of Bataafsche democraten gegeven aan de in 1797 door de Nationale Vergadering bij acclamatie als „voltooid” geproclameerde constitutie, welke echter in de grondvergaderingen verworpen werd.