Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Gepubliceerd op 20-03-2019

Bindweefsel

betekenis & definitie

Bindweefsel - is een vorm van steunweefsel, dat zich evenals de overige steunweefsels kenmerkt door complexen van cellen, die een groote hoeveelheid tusschencelstof, grondsubstantie, tusschen zich afscheiden. Van been en kraakbeen onderscheidt het zich, doordat de grondsubstantie week en zacht is.

Men kan verschillende soorten b. on 1. Geleiachtig of s l ij m e r i g b. bezit een waterachtige, slijmerige, homogene grondsubstantie met daarin verspreid ronde of onderling door uitloopers samenhangende cellen. Soms treden vezels of vezelnetten op, waardoor het weefsel vaster wordt. Bij hoogere dieren wordt het slechts aangetroffen in de navelstreng van zeer jonge embryo’s en volgens sommigen ook in het glaslichaam van het oog; zeer algemeen komt het voor bij lagere dieren.

2. Reticulair (netvormig) b. bestaat uit stervormig vertakte cellen, die, onderling samenhangend, een fijn netwerk vormen. In volwassen toestand treft men dikwijls fibrillen aan, die ofwel geïsoleerd ofwel tot bundels gerangschikt liggen in de uiterste grenslagen van het celplasma, waarvan zij een product zijn. De mazen zijn meestal opgevuld met witte bloedcellen. Komt hoofdzakelijk voor in de lymphknoopen.
3. F i b r i 11 a i r (vezelig) b. bezit een grondsubstantie, doortrokken met een groote hoeveelheid uiterst fijne, onvertakte en gladde vezels (bindweefselfibrillen), samengekit tot dikkere bundels, die ófwel aan elkander parallel loopen, zooals in pezen, ófwel elkander in verschillende richtingen kruisen. Komt voor bij lagere dieren, maar vooral bij vertebraten.
4. Bijzondere vormen van bindweefsel zijn nog de neuroglia, het steunweefsel van het nervensysteem, in structuur veel overeenkomend met reticulair b., en het c h o r d a -bindweefsel met groote, van vacuolen voorziene cellen, waarvan het membraan de steunsubstantie uitmaakt, en voorkomend in de chorda der gewervelde dieren. Willems.