Biljart betekenis & definitie

Biljart - tafel, waarop het biljartspel gespeeld wordt, rechthoekig van vorm, rustend op vier, vijf of zes pooten, naar gelang de grootte. Er zijn zgn. kleine tafels (waarop het klein-biljartspel uitgevoerd wordt) en groote of matchtafels, die gebezigd worden voor internationale doeleinden.

Het blad wordt gevormd uit leiplaten, omgeven door verhoogde randen, waarin rubber om ze veerend te maken en effect teweeg te brengen. Het blad is belegd met fijn groen laken.

Men onderscheidt het in onze landen niet meer gebruikelijke zakkenbiljart en het carambolebiljart. Bij de spelen voor het zakkenbiljart (thans nog o.a. in Engeland, Amerika, China, Japan) is het doel alle ballen behalve den speelbal in de zakken te spelen. Voor het carambolebiljart zijn de voornaamste spelen het carambolespel en het kegelspel.

Het carambolespel wordt gespeeld met twee witte biljartballen, waarvan elk der twee partijen er één bespeelt, en een gekleurden bal (meestal rood). Doel is met de queue den speelbal zoo te stooten, dat deze den bal der tegenpartij en den rooden raakt (caramboleeren). Een geoefend speler zal daarbij niet alleen den loop van zijn speelbal, maar bovendien den loop der andere ballen berekenen en trachten een gunstige ligging te verkrijgen voor den volgenden stoot. Naar het aantal gemaakte carambolen worden de punten berekend. Om het spel bij geoefende spelers afwisselend te houden, wordt de aard van het systeem om tot caramboleeren te komen steeds moeilijker gemaakt. Men verdeelt hiertoe het biljart op verschillende wijzen in vakken; in één of meerdere hiervan mogen dan geen of slechts één of twee carambolen worden gemaakt.

Het kegelspel wordt eveneens op het carambolebiljart gespeeld. Vijf kegels staan midden op het biljart (de koning in het midden, 4 boeren er om heen). De roode bal wordt zóó gestooten, dat één der beide andere ballen tegen een kegel stoot. Naar de omgeworpen kegels wordt het aantal punten berekend.

Het biljartspel berust op twee hoofdwetten:

1° wanneer een bal, in het midden gestooten, een anderen bal in het midden raakt, zal de tweede de beweging van den eersten overnemen. Wordt de tweede echter op zij geraakt, dan zal deze zich voortbewegen in de richting, welke de denkbeeldige lijn aangeeft, die op het oogenblik van raken getrokken kan worden vanuit liet middelpunt van den gestooten bal door het middelpunt van den geraakten bal. De laatste wijze van raken noemt men snijden.
2° Wanneer een in het midden gestooten bal hetzij onmiddellijk, hetzij na snijden den band raakt, loopt de bal terug onder denzelfden hoek als waaronder de band geraakt werd.

Bij deze grondregels, volgens welke men den bal een bepaalde richting geven kan, komen nog eenige middelen om die richting te wijzigen; deze middelen, die vooral bij het carambolespel van belang zijn, bestaan hierin, dat men een bal niet in het midden raakt bij het stooten, maar meer ter zijde of hooger of lager, a) Wanneer men den bal bij het stooten meer ter zijde raakt, verkrijgt deze behalve de gewone nog een draaiende beweging om eigen loodrechte as. De uitwerking hiervan moge met behulp der figuren duidelijk worden. Fig. 1 toont een bal, welke na het stooten den band raakt. Stoot men in het midden (Q 1) dan zal de hoek, waaronder de bal van den band terugloopt (b, aangegeven door boogje) even groot zijn als die van het raken (hoek a, aangegeven door boogje). Geeft men effect met de richting mee (raakpunt Q-2), dan zal de hoek van terugloopen kleiner, geeft men tegeneffect (Q 3), dan zal de hoek van terugloopen grooter worden dan de hoek van raken.

Bij zeer veel tegeneffect zal de bal zelfs de richting van de stippellijn volgen. Fig. 2 toont een bal, welke eerst een anderen bal, daarna den band raakt. Stoot men in het midden (Q 1), dan zal de hoek, waaronder de bal (na het raken van den tweeden bal) van den band terugloopt (hoek a met boogje) even groot zijn als de hoek, waaronder de band werd geraakt. Bij effect (stoot in Q 2) zal hoek b kleiner worden, hoek a echter nog kleiner. Bij tegeneffect (stoot in Q 3) zal hoek b grooter zijn dan bij middenstoof, hoek a echter nog grooter.

b) Raakt men den bal bij het stooten onder het midden, dan zal deze, na het raken van een anderen bal, terug loopen hetzij in stootrichting (bij terugtrekken), hetzij zijwaarts (bij trekken).

c ) Raakt men den bal boven het middelpunt, dan krijgt hij een eigen beweging in de gestooten richting met als gevolg een grooteren loopduur, zoodat wanneer de gestooten bal een anderen in het midden raakt, hij dezen „naloopt”.

Andere stooten bestaan er nog om den bal een bocht te laten beschrijven en om, als deze vast ligt tegen den band, in een bepaalde richting los te krijgen.

L i t: Horemans, Het biljartspel (1923); Niedermayr, Das Billardspiel (1923); Bogumil, Das Billardbuch; id., Der Meister im Billardspiel (1929).