Balen betekenis & definitie

Balen - 1° van, pastoor en deken van het dekenaat Bergeik (bisdom Den Bosch). 28 Oct. 1629 raadpleegt hij bisschop Ophovius, hoe de geestelijken zich moeten gedragen tegenover de contradictorische bevelen van dc Staten en van Spanje. De Staten nl. eischten de kerkelijke goederen op, Spanje verbood dit.

Ophovius besloot, dat de geestelijkheid op haar post moest blijven, ook al stonden eer en leven op het spel.

2° Hendrik van (van Balen de Oude), schilder te Antwerpen, voornaamste van een geslacht van schilders, nam een groote plaats in onder de kunstenaars zijner woonstad en stond er in hoog aanzien. * 1575 te Antwerpen, ♱ 1632. Bevriend met Rubens en A. van Dyck (de laatste was zijn leerling); werkte samen met Jan Brueghel (den fluweelen); was deken van het Lucasgilde in 1609—’10. Hij vervaardigde ontwerpen voor glasschilderingen o.a. voor de Lieve vrouwe-kerk aldaar. Hij schilderde bij voorkeur bijbelsche en mythologische tafereelen, die, hoewel zeer zorgvuldig uitgevoerd, goed gecomponeerd en aangenaam van kleur zijnde, toch in onze dagen niet veel waardeering meer vinden. Op lateren leeftijd onderging hij invloed in gunstigen zin van Van Dyck en maakte portretten, die wel met die van dezen meester verwisseld worden.

L i t. : K. v. Mander, Groot Schilderboeck; Houbraken, Groote Schouburgh; Van Lerius, Biographie d’artistes d’Anvers (II 1881). Schretlen.