Baal (religie) betekenis & definitie

Baal (religie) - (Semietisch, = heer, meester, echtgenoot). Bij vele West-Semiet. volkeren naam van eerste, mannelijke godheid, wien in vsch. plaatsen vsch. eigenschappen werden toegeschreven.

Vandaar de toevoeging van een plaatsnaam (B. Arvad, B. Charran, B. Hermon, B. Libanon, B. Sidon e.a.) of van een andere specificatie (B. Berith, B. Zeboeb e.a.). Terecht spreekt de H. Schrift daarom van Be calim (meerv.). Meestal wordt ontkend, dat aan deze onderscheiding der locale Be calim bij de Semieten het geloof in één hoogsten B. is voorafgegaan, hoewel o.a. de naam Baalsamên (B. Sjammêm e.a.), die bij vele volkeren nog in late tijden voorkomt, daarop kan wijzen. In Phoenicische inschriften is B. zonnegod (B. Chamman), evenals in het O.T., en bijgevolg god der vruchtbaarheid.

Daarom wordt hij soms voorgesteld als leeuw of arend, symbolen der zon. De Babyl.-Assyrische vorm (en onder invloed daarvan ook de Palmyreensche) is Bel. In de H. Schrift wordt B. soms gebezigd voor den waren God (vgl. Os. 2,16 e.a.), gewoonlijk echter ter aanduiding van de valsche goden der Cananeeën, die hen vereerden in steenen of houten zuilen, in tempels en op altaren, of van den in een stierbeeld vereerden god van het Noordelijk Rijk (zie Bethel, zie Dan). De Isr. vervielen reeds in den tijd der Rechters tot den soms zeer immoreelen cultus van B., die vooral onder Achab veld won en met korte onderbrekingen voortduurde tot aan de ballingschap. Zoowel in als buiten de H. Schrift worden veel eigennamen met B. samengesteld (Baaljathon, Isjbaal, Ethbaal, Hannibal, enz.). Vrouwelijk pendant is zie Baala. Simons.

Bibliographie: Lagrange, Etudes sur les Religions sémitiques (1905).