Baak (landmeetkunde) betekenis & definitie

Baak (landmeetkunde) - heet in het landmeten een verdeelde breede lat, die in het in te meten punt wordt opgesteld. Zij wordt vastgehouden in verticalen stand door een hulparbeider, den baakhouder, met behulp van een aan de lat bevestigde dooslibel.

De verdeeling is tot in cm aangebracht, de aflezing geschiedt tot in mm. Het midden van de voorzijde is gewoonlijk aangegeven door een verspringing in de kleur van de verdeeling (rood en wit of zwart). Deze baak dient zoowel voor afstandmeting als voor waterpassen. Voor de afstandmeting worden ook wel b. gebruikt, die loodrecht op de richting van den kijker opgesteld kunnen worden met behulp van een vizier. Men behoeft dan minder correcties in te voeren.

In de moderne tachymetrie wordt hetzelfde bereikt door het gebruik van horizontale b. Deze zijn verschuifbaar bevestigd aan een verticale stang. Voor sommige afstandmeters (zie Tachymetrie) is het noodig, dat op de b. een vaste basis is aangegeven. Op de onverdeelde lat zijn dan een tweetal bordjes aangebracht, waarop op de een of andere manier, bijv. door kruisgewijze indeeling in gekleurde velden, een vast punt is aangegeven.

Bij het waterpassen wordt ook wel gebruikt een b. met bordje. Hierbij is op een verdeelde lat een bordje verschuifbaar aangebracht. Op het bordje is een vast punt aangegeven. De lat is in dm verdeeld, aan het bordje is een cm-verdeeling bevestigd, zoodat de hoogte van het bordje weer in cm. geschat in mm, kan worden afgelezen. Bij dit type b. geschiedt de aflezing dus door den baakhouder. Jong.