Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 01-04-2019

Aureus

betekenis & definitie

Aureus - (Lat., = gouden) of aureus nummus, gouden munt en wel meestal: de Rom. gouden eenheidsmunt. Hoewel een gouden munt met Januskop reeds in de 3e eeuw v. Chr. en daarna ook vermeld wordt, liet vooral Caesar deze munten in grooten getale slaan: 1/40 pond goud, 8,19 g; waarde ca. 13 gld. 1 aureus = 25 denariën = 100 sestertiën.

Het gewicht werd onder de keizers verminderd, doch na Nero steeg het weer tot 1/42 pond. De a. was, in grooten getale geslagen, de solide grondslag van het geldwezen in het Rom. imperium gedurende meer dan 200 jaren. Groote uitvoer van baar geld had door middel van den a. plaats voor betaling van koren en luxe artikelen. Bezwaren daartegen vinden we bij Plinius den Ouden en bij Tacitus.

Van Commodus af wordt de voet van den a. onregelmatig. Ten slotte werden de aurei gewogen. In 284 n. Chr. voerde Diocletianus een a. in van 1/70 pond = 4,68 g en daarna een van 1/60 pond = 5,46 g. Constantijn verving den a. door den solidus (1/72 pond).

Davids.