Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 02-02-2019

Alphabet

betekenis & definitie

Alphabet - ( Gr. alpha, bèta zijn de namen van de eerste twee letters van de Gr. letterrij). Het a. eener taal is de in een bepaalde volgorde geplaatste serie van letters, die moeten dienen om de phonemen van die taal schriftelijk weer te geven. Het alphabetisme is de laatste trap van het schrift geweest. Eertijds was men van meening, dat wij ons a. te danken hebben aan de Phoeniciërs.

De nieuwe onderzoekingen hebben aan het licht gebracht, dat ongeveer 2000 jaren v. Chr., aan beide zijden van de Middellandsche Zee, door de Myceniërs reeds letterteekens werden gebruikt, i.p.v. teekeningen, om woorden te schrijven. De Phoeniciërs kozen hieruit twee en twintig letters. Hoewel deze letters slechts bestonden uit medeklinkers, kan men toch van een alphabet spreken. De Grieken ontwikkelden verder het a. Zij spraken van Phoenicische letters en de Kretensers beweerden, dat zij het a. hadden uitgevonden, maar dat de Phoeniciërs het hadden vereenvoudigd en verbreid. Wat eens het oudste alphabet-document werd genoemd, is een inscriptie op een steen, de Moabite, welke in het Louvre wordt bewaard. De Moabite-steen bevat een verslag van den oorlog tusschen Mesja, den koning der Moabieten, en de Israëlieten onder Jehoram of Joram. De dateering van dezen steen valt tusschen 896 en 884 v. Chr. en hij bevat tal van letters, welke gelijken op die van het Grieksche alphabet.

Maar op de tegels, welke men in den jongsten tijd op Kreta heeft opgegraven, heeft men letters aangetroffen, die volkomen overeenstemmen met den Eur. lettervorm en gedateerd zijn tusschen 1600 en 1200 v. Chr. De Grieken, die een fijner gevoel bezaten voor de uitdrukking van de gedachten door middel van het schrift dan de Phoeniciërs, verrijkten het alphabet met klinkers. Tal van plaatselijke alphabetten waren in gebruik, totdat aan het einde van de vijfde eeuw v. Chr. het Ionische alphabet algemeen werd aanvaard door Athene en de Helleensche staten. Het bestond uit 24 letters; dit a. wordt thans nog door de Grieken gebezigd. Door de kolonisatie der Grieken en door de Romeinsche overwinningen werd het al meer en meer verspreid. De Eur. volkeren vervormden het Grieksche a. voor de Westersche beschaving.

In het Oosten, tot in Centraal Azië, heeft het Arameesch het a. verspreid. Wijl men de H. Schriften moest gaan lezen, vormde men alphabetten naar model van het alphabet, waarin de geloofsverkondigers zelf de Schriften lazen. Het Slavisch, Armeensch, Koptisch en (ten deele) Gotisch a. komen van het Gr.; het oud-Hoogduitsch, het oud-Engelsch en het oudIersch a. komen van het Lat. Die van het Grieksche a. afgeleid werden, zijn juist gevormd, met gevoel voor phonetische relaties en uitspraaknuances. Zij, die het Latijnsche a. overnamen, hebben eeuwenlang getracht dit aan hun taal aan te passen, want het phonologisch systeem van hun talen was totaal anders. Volgorde der letters heeft in veel talen geen beginsel. Grieken en Phoeniciërs hadden ook een -alphabetisch cijferstelsel. De naam a. komt het eerst bij Tertullianus voor. zie ABC muzikaal.

Lit.: K. Faulmann, Das Buch der Schrift (21880); J. Vendryès, Le langage f1921); Kurt Sethe, Der Ursprung des Alphabets (1926); W. Romaine Paterson, How Man Learned His letters (Our Wonderful World, blz. 1641—1647). Ronner/Weijnen.

Het Latijnsche alphabet. Latium ontving zijn alphabet ca. 600 v. Chr. van de Grieksche kolonies Cyme en Napels in Campanië; de oudste Latijnsche inschriften (6e eeuw v. Chr.) bieden dan ook een zuiver oud-Grieksch letterbeeld. Afzijdig gebleven van de latere ontwikkeling der Grieksche alphabetten, onderscheidde zich het Lat. a. vooreerst door het conservatieve gebruik der letters H, F en Q, welke in het Gr. a. vervielen, terwijl het aan het letterteeken C (waarvan de oorspronkelijke Grieksche klankwaarde, nl. G, alleen in eigennamen als Caius behouden bleef) de klankwaarde van K gaf, welk laatste letterteeken daardoor overbodig werd. In de le eeuw v. Chr. krijgt het Lat. a. op inscripties de symmetrie, kracht en schoonheid, die het tot een spiegelbeeld der „maiestas populi Romani” en tot een navolgenswaardig voorbeeld voor latere eeuwen maken. Aanvankelijk bleef het Lat. a. beperkt tot het uitgebreide Lat. taa l g e b i e d, dat in het Oosten ongeveer begrensd werd doodde Adriatische Zee en de Cyrenaïea. In de 3e eeuw n. Chr. werd uit het Lat. a. het Germaansche runenschrift gevormd. Alvorens de Germaansche en andere talen het Lat. a. aanvaardden, had dit in de verspreide kloostergemeenschappen verschillende gedaanten van cursief schrift aangenomen; men doet beter, hier van „schriftprovincies” dan van „nationale schriften” te spreken.

De voornaamste zijn; Langobardisch schrift (of littera Beneventana), West-Gotisch schr. (littera Toletana), Iersch schr. (scriptura Scottica), Merovingisch, Angelsaksisch schrift, enz. In deze schriften had de minuscula definitief de majuscula verdrongen. In den tijd van alleenheerschappij der Latijnsche taal, toen volkstalen nog geen beteekenis hadden, noch als nationaal distinctief konden dienst doen, werd vaak de schriftsoort of modus scribendi tot zulk een distinctief gemaakt. Intusschen is het een van de dwalingen der Romantiek geweest, in deze schriftsoorten origineele scheppingen der Germaansche „naties” te zien. Een doelbewuste calligraphische hervorming was ca. 800 n. Chr. uitgegaan van het St. Martinusklooster te Tours onder Alcuinus; het daaruit voortgekomen en tot de 12e eeuw steeds meer vervolmaakte Karolingische minusculaschrift werd na de periode van het zgn. Gotische schrift door de Renaissance en de Humanisten voor goed overheerschend in Europa, in de boekdrukkunst als Latijnsche „antiqua”. Door deze antiqua werd het Gotische schrift in Engeland (18e eeuw) en Denemarken (19e eeuw) geheel, in Duitschland ten deele verdrongen; daar houdt het Gotische alphabet nog slechts stand voor meer volkstümliche literatuur en op nationale sentimentsgronden, ofschoon (evenals de Gotische bouwstijl) dit alphabet een halve eeuw eer in N. Frankrijk dan in Duitschland tot ontwikkeling kwam.

Het Latijnsche a. schijnt, als symbool van de universaliteit der Romeinsche cultuur, voorbestemd den ganschen aardbol te beheerschen; geen enkel ander alphabet komt hiervoor in aanmerking. De pogingen, welke reeds voor drie eeuwen door Portugeesche en daarna o.a. door Hollandsche missionarissen werden gedaan, in Oost-Azië het Lat. a. in te voeren, worden thans vooral door Japansche intellectueelen hervat. De Sovjet-Unie werkt in dezelfde richting. Sinds Nov. 1928 is het Lat. a. officieel in de Turksche Republiek ingevoerd, sinds Maart 1929 verving het ook het Arabische schrift in Albanië.

Lit.: Arthur Mentz, Geschichte der grieohisohrömischen Schrift (met ruime literatuuropgave, Leipzig 1920). Cuypers.