Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 22-04-2018

Aartsdiaken

betekenis & definitie

Aartsdiaken stond, zéker sinds de 4e eeuw, aan het hoofd der andere diakenen en van den geheelen lageren clerus. Had de leiding bij de armenzorg en de vorming der lagere clerici. Door dit laatste kreeg hij vanzelf invloed op de keuze der wijdelingen. Zijn bevoegdheden namen steeds meer toe, vooral in het Frankenrijk sinds de 9e eeuw.

Het toppunt hunner macht bereikten de aartsdiakenen in de 12e en 13e eeuw, toen ze ook het recht verwierven om geestelijken te straffen, het recht van visitatie en van investituur, toezicht op kerkelijke goederen enz. De bisschoppen zagen nu in hen niet meer hun gewaardeerde helpers, maar concurrenten, vooral waar de aartsdiakenen niet door hen gekozen werden, maar door de kapittels of door den koning werden benoemd. Het Concilie van Trente kwam eindelijk tegemoet aan de klachten der bisschoppen door de bevoegdheid van den a. tot een minimum te beperken. In de plaats van den a. trad later, met gedelegeerde macht, de vicarius generalis.

L i t.: Sagmüller, Kirchenrecht (2 dln. 1914): Lexikon fiir Theol. und Kirche (I 1930, 615 vlg.). Franses.