A. bogaers betekenis & definitie

A. bogaers - Advocaat en dichter, * 6 Jan. 1795 te Den Haag, ✝ 11 Aug. 1870 te Spa. Studeerde te Leiden, was zeer spoedig gepromoveerd (in 1811), werd advocaat te Den Haag, Hoorn, Rotterdam, waar hij in 1829 zijn rechterlijke loopbaan aanving, waaruit hij in 1851 ontslag vroeg wegens toenemende doofheid.

Door zijn lidmaatschap van de groote genootschappen heeft hij grooten invloed kunnen uitoefenen. Toch was hij geen populair dichter, omdat hij zijn uitgegeven werk niet in den handel bracht, maar slechts aan enkele vrienden schonk. Later werd hij medewerker aan De Taalgids en de Taal- en Letterbode. In zijn nalatenschap vond men de gedichten van Anna Bijns met glossarium (uitg. van Hclten, 1876); eveneens een Glossarium op Vondel e.a. dichters der 17e eeuw, Bilderdijk (uitg. Brill).

Werken: Volharden ; Jochebed ; Togt van Heemskerk naar Gibraltar (indertijd als zijn meesterwerk geroemd); Balladen en Romancen; Dichtbloemen uit den vreemde; Gedichten; Verhandeling over de welsprekendheid.

Lit.: J. J. Gleichmann, Leven van mr. A. B.; F. A. Snellaert, A. Bogaers (in Levensberichten v. d. Mij. d. Ned. Lett. 1872); A. de Jager (Feuill. in de N.R.Crt. 18 Aug. 1870); Nie. Beets in „B.’s Gezamenlijke Dichtwerken”. Piet Visser