Katholicisme encyclopedie

Prof. dr. J.C. Groot (1955)

Gepubliceerd op 02-01-2020

THOMAS VAN AQUINO

betekenis & definitie

(1224/25-1274), scholastiek wijsgeer en theoloog, bijgenaamd de engelachtige leraar (doctor angelicus), werd geboren te Roccasecca bij Napels uit een Lombardisch adellijk geslacht en nog zeer jong aan de Benedictijnen van Monte Cassino toevertrouwd. Hij studeerde in Napels, trad onder grote tegenstand van zijn familie in de pas gestichte orde der Dominicanen, studeerde vervolgens in Parijs en Keulen onder Albertus Magnus en doceerde in Parijs (1252-1259), waar hij in 1257 als magister in theologie werd toegelaten.

In 1260 naar Italië teruggeroepen werd hij tot predicator generalis van zijn orde en tot lector aan het pauselijk hof te Orvieto benoemd; in 1265 werd hem de leiding opgedragen van het studium generale der Dominicanen bij S. Sabina te Rome.

Na een kort verblijf aan het pauselijk hof te Viterbo doceerde hij weer (1269-1272) aan de theologische faculteit te Parijs en verhuisde in 1272 naar Napels om daar het studium generale te leiden. Naar het concilie van Lyon ontboden, overleed hij op reis daarheen.

In 1323 werd hij door Johannes XXII heilig verklaard ; Pius V gaf hem de titel van Kerkleraar (1567). In dit met reizen gevulde korte leven heeft Thomas uitzonderlijk vruchtbaar gewerkt en talrijke werken geschreven.

De voornaamste werken zijn: Summa theologica, Summa contra gentiles, verschillende questiones (de veritate, de potentia, de anima, de malo, quodlibetales enz.). Verder schreef hij nog een 50-tal kleinere werken (opuscula), waaronder een verdediging van de bedelorden en de religieuze staat, een handleiding voor het bestuur van een vorst, een compendium der theologie, verklaringen van het Onze Vader, het Wees-gegroet en de apostolische geloofsbelijdenis.In de wijsbegeerte heeft Thomas zich uitdrukkelijk, meer dan tot dan toe gebruikelijk was, naar Aristoteles gewend; de alles-omspannende actus-potentia-leer getuigt daarvan. Niettemin maakt hij van de participatie (deelhebbing)-gedachte, die langs St. Augustinus van Plato stamt, een centraal punt. Al is hij in vele opvattingen afhankelijk van Aristoteles, van Plato, Augustinus en de Arabische scholastiek, in zijn eigen synthese is hij oorspronkelijk. Fundamenteel is in de zijnsmetaphysiek de analogie in het zijn. Zijn Godsbewijzen, scheppingsleer en uitwerking der goddelijke eigenschappen hangen hiermee samen.

In de natuurfilosofie volgt hij Aristoteles' materia-forma-leer. In de mens ziet hij de redelijke ziel als enige vorm van het lichaam; uit de denkactiviteit der ziel besluit hij, dat de ziel op zich een onstoffelijke, onsterfelijke geest is. Vanuit de natuur der ziel ziet hij de verschillende vermogens voortkomen, waardoor de ziel haar activiteit uitoefent. Zijn ethiek is nauw aan de moraal der christelijke openbaring vastgehecht. De mens ziet hij als een zich redelijk naar God bewegend wezen, wiens einddoel de zalige aanschouwing Gods is. Zijn deugdenleer is een indrukwekkende architectuur, waarvan de caritas, de liefde tot God, het grondmotief is. Met elementen uit Aristoteles en Augustinus ontwierp hij een leer van het algemene welzijn van wat toenmaals staat kon worden genoemd, en hij schetste het ideaal van een christelijke staatsbestuurder.

In de speculatieve theologie der openbaring werkt hij een leer van de H. Drieëenheid uit, een Christologie, een leer over de genade en sacramenten, waarbij de begrippen zelfstandigheid, accidens, natuur en wezen en bestaan, forma en materia, actus en potentia, de verschillende wijzen van oorzakelijkheid, uit de wijsbegeerte overgenomen, hem dienen om wetenschappelijke verhandelingen in grote stijl over de verschillende dogma’s uit te werken. Deze middeleeuwse geleerde was tevens een bescheiden, sereen, beminnelijk mens (2 Thomisme). H. R0.

< >