Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

Gepubliceerd op 02-01-2020

KIND

betekenis & definitie

is de vrucht van het huwelijk en een zegen Gods daarvan. Kinderrijkdom wordt door de Schrift dan ook altijd als een zegen gezien en als zodanig aan de patriarchen en later aan Israël beloofd (Gen. 12 : 2; Deut. 28 : 4).

De Bijbel spreekt zeer veel over het kind en het Hebreeuws heeft verschillende namen voor de onderscheiden kinderleeftijden. De ouders beminnen hun kinderen, zijn trots op hen en God neemt dit gegeven over om het als beeld te gebruiken voor zijn liefde jegens Israël: „Toen Israël een kind was, had Ik het lief” (Osee 11 : 1).

Door de menswording van Gods Zoon heeft de Vader ons „de macht gegeven Gods kinderen te worden” (Jo. 1 : 12). Wie gelooft in de Zoon, Jesus Christus, wordt kind van God: „Ziet, hoe grote liefde de Vader ons heeft bewezen, dat wij kinderen Gods genoemd worden en het ook zijn” (1 Jo. 3:1).

Zijn wij echter kinderen, dan moeten wij ook als zodanig leven en daarom stelt Jesus het kind om zijn onschuld en eenvoudige oprechtheid zijn leerlingen ten voorbeeld: „Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan”, terwijl Hij het kind beschermt en tot Zich laat naderen: „Laat de kinderen begaan en belet ze niet, tot Mij te komen” (Matth. 19 : 14; 18 : 3 en 19). j. v. D.

Zielkundig gesproken mag men vaststellen, dat kinderen van nature godsdienstig zijn. Ze ontwikkelen een spontane drang tot geloven en vereren en wel vanaf het moment, dat zij bewust contact hebben met hun omgeving (verzorgers), indien zij met liefde behandeld worden en goed verzorgd. Natuurlijkerwijze is deze drang aanvankelijk gericht op de ouders of verzorgers, maar hij komt alleen tot uitdrukking indien de kleintjes hartelijke tegemoetkoming ondervinden. De aanhankelijkheid der kleinen, hun behoefte aan tederheid en aanhaligheid worden dan ook, bij het eerste merkbare ontwaken der ziel van het kind, gecombineerd met deze drang tot geloven en vereren; daaruit volgt absolute aanvaarding en volgzaamheid, natuurlijke gehoorzaamheid dus van het kind aan de ouders: autoriteitsgeloof. Daaruit differentieert zich mettertijd de bewuste neiging tot gehoorzaamheid, óf haar tegendeel, het negativisme, al naar de houding der verzorgers, op de momenten waarop het kind tot het besef komt dat het bepaalde onlustgevoelens kan vermijden en ontlopen.

Tot deze onlustgevoelens behoort ook de primaire angst, die optreedt bij elke situatie, die het kind beklemt, ook bij ademnood, bijv. heftig schreien of zeer grote spanning. Ook emoties (grote schrik) kunnen deze toestand uitlokken; op den duur zijn het vnl. aangrijpende gevoelens (van binnen of van buiten opgewekt) die de toestand van beklemming met besef van angstgevoel oproepen. Dat gebeurt overal waar en telkens wannéér een kind, op grond van zijn groeiend onderscheidingsvermogen, iets opmerkt, dat zijn vertrouwen schokt, zijn wantrouwen wekt (eenkennigheid, angst voor ruimte, voor schaduwen, voor beweeglijkheid). In deze momenten van angst, die uiteindelijk tot verruiming van bewustzijn voeren, zoekt het kind contact, steun en troost bij hen, van wier liefde het overtuigend verzekerd is geraakt. Voelt het zich begrepen en geborgen, dan durft het zijn angst aan en raakt ook vertrouwd met wat eerst zo vreemd leek, omdat het zich veilig weet, beschermd door de liefde van zijn ouders of verzorgers. Aan dit gevoel van,.geborgenheid” en „veiligheid” geeft het zich over; het gelooft en vertrouwt hen, die over hem waken, het vereert hen; in zijn ogen zijn ze almachtig!

Maar er komen mettertijd momenten van teleurstelling: de ouders begrijpen de kinderen niet altijd, laten hen in hun nood, hun angst alleen en de kleinen voelen zich verlaten, eenzaam en overgeleverd: zij wantrouwen en vrezen, omdat zij niet meer vertrouwen kunnen; zij ontdekken dat hun ouders niet almachtig en niet alomnoch altijd-tegenwoordig zijn. Dan komt de twijfel en dan wordt een kind zich vaag bewust van een nijpend verlangen naar en behoefte aan dieper begrip, effectiever troost, niet gebonden aan de aanwezigheid en het begrip van zijn verzorgers. Het kind zoekt, zij het nog onbewust, contact met een macht of grootheid, die onaantastbaar en overal tegenwoordig is.

Dit zijn de momenten - en ze komen, al naar de gevoeligheid en omstandigheden van het kind, vanaf het vierde levensjaar min of meer frequent en lang-of kortdurend voor — waarin een kind ontvankelijk is voor de vorming van voorstellingen, waarmede het zijn geschokt vertrouwen herstellen kan. Het kind móet immers geloven aan een liefdevolle tegenwoordigheid, een macht waaraan het zich kan overgeven. Want het streeft er naar zijn gevoel van onveiligheid en onzekerheid en zijn wantrouwen kwijt te raken en zijn angst om te zetten in absoluut vertrouwen en geborgenheid. Hoe rijker zich bij een kind de fantasie ontwikkelt, die zich juist ook in deze periode (de magische fase tussen 4 en 7 jaar) ontplooit, des te feller kan een soms schijnbaar geheel ongemotiveerde angst opkomen en des te groter is de ontvankelijkheid voor de steun of troost die het geloof aan een liefdevolle God, de Schepper, kan geven. Want ook de vragen van het waarom, waar vandaan en hoe kunnen kinderen in deze periode kwellen, ze zoeken de bron, de Schepper van alles wat zich aan hun ontwakende geest openbaart. Men zal dit ontluikend geloof moeten schragen, door aan het gemoeds- en voorstellingsleven der kinderen die beelden aan te bieden, die passen bij hun geestelijk peil.

Vandaar dat voor vele kinderen het Kind Jesus de beste Middelaar is voor hun contact met God, de Vader. In tegenstelling immers tot de moeder is de eigen vader immers ook minder vaak aanwezig en toch gelooft het kind aan zijn liefde en aan zijn kunnen. Vandaar dat de voorstelling van een „vaderlijke God” zo vanzelfsprekend aansluit bij de kinderlijke ervaringen en gevoelens. Men kan dan geleidelijk beginnen met het kind de voornaamste waarheden van het geloof te leren kennen en het te leren God op eigen wijze lief te hebben en te dienen. Hierbij komt het vooral aan op de sfeer in het gezin . Het kind leert, de voornaamste, eenvoudige gebeden door mee te bidden, 's morgens, aan tafel enz. Het godsdienstonderricht in het gezin moet geheel terloops plaats vinden, aangepast aan de zich natuurlijkerwijs voordoende gelegenheden.

Vooral moet men oppassen met bedreiging te werken daar men dan de angst versterkt en een scheve godsdienstige ontwikkeling kan oproepen. De voorbereiding tot de eerste H. Communie zal vooral op de kleuterschool kunnen gebeuren. Alles moet er op gericht zijn allereerst een liefdevolle en vertrouwelijke instelling ten opzichte van God, Jesus, de heiligen te ontwikkelen. In de lagere-schooltijd zal het godsdienstonderricht vooral door de school plaats hebben. Een gezonde gewoontevorming op godsdienstig gebied zal vooral door het gezin bevorderd moeten worden.

In de puberteit moet het kind zelfstandig worden, ook in het godsdienstige, en moet zijn godsdienstkennis verlevendigd en verdiept worden. Dwang moet zoveel mogelijk worden beperkt, de innerlijke beleving moet zoveel mogelijk worden gestimuleerd. Ook aan de rationele kennis en verwerking van de geloofsinhoud moet een grote aandacht besteed worden.

o. v. A. R./A. CH.