Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

Gepubliceerd op 02-01-2020

BIJBEL

betekenis & definitie

1.De Bijbel als Woord Gods. Volgens de christelijke leer bevat de Bijbel het geopenbaarde woord van God.

Door de taal en de spraak kunnen de mensen met elkaar in contact treden en elkander ontmoeten, bovendien kan het gesprokene in schrift worden vastgelegd, worden geboekstaafd, zodat het boek ver over de grenzen van een mensenleven heen gedachten kan verderdragen. Deze mogelijkheden heeft God benut.

Hij heeft gesproken door zijn profeten, maar Hij heeft wat Hij wilde zeggen ook aan latere geslachten willen doorgeven en zijn gedachten vastgelegd in een boek. Dit boek noemen wij de Bijbel, een woord dat afgeleid is van het Griekse biblion, dat boek betekent, maar omdat het boek van God het boek bij uitstek is, werd Bijbel de naam voor dé geschriften bij uitstek: de Heilige Schrift.

Hoe dit alles mogelijk is, is het geheim van de inspiratie, welke door paus Leo XIII aldus werd geformuleerd: „De H. Geest heeft hen (de gewijde schrijvers) zó tot schrijven aangezet en bewogen, hen zó onder het schrijven bijgestaan, dat zij al datgene en alleen datgene, wat Hij wilde, zowel goed zouden begrijpen als getrouw wilden neerschrijven en met onfeilbare juistheid behoorlijk zouden uitdrukken” (Ene.

Providentissimus, Denz.1952).Zo bezitten wij in de Bijbel Gods eigen woord, zij het dan ook gekleed in het gewaad van de menselijke schrijver, want God respecteerde de eigen aard van de mens wiens hulp Hij benutte. Al spreekt God dus in de taal van een bepaalde tijd of van een bepaalde persoon, toch is Hijzelf aan het woord en noemen daarom vele kerkvaders de Bijbel graag een „brief uit de hemel”.

2.De Bijbel als Boek der Kerk. Vanzelf komt echter de vraag op: waaraan kan de mens deze „brief uit de hemel” herkennen? Aan de vrome taal ? Maar . . . vele ménsen kunnen ook erg vroom schrijven. Aan een bijzondere geestelijke inhoud? Die hebben ook allerlei andere geschriften. Het katholieke geloof leert, dat God zijn geschriften aan de Kerk heeft toevertrouwd, zodat zij weet wat tot Gods boek behoort en wat niet. Deze wetenschap wordt gedragen door de bijstand van de H. Geest, die leidt en waakt en beschermt en zo de oorzaak is, dat het kerkelijk leergezag in zaken van geloof en zeden onfeilbaar is. Zo is het in de H. Geest dus de Kerk, die ons zegt wat tot de H. Schrift behoort en wat niet. Zij biedt ons de Bijbel aan als een canon = regel voor het geestelijk leven, en omdat zij daarbij tevens afbakent wat tot Gods woord gerekend moet worden, heeft het woord canon de betekenis gekregen van: lijst der door de Kerk als geïnspireerd erkende boeken.

Nu ligt de vraag voor de hand: Als God de Bijbel aan de Kerk heeft toevertrouwd en door Zijn H. Geest waakt over het behoud ervan, hoe heeft God dat dan gedaan ? Wij zullen dat wel nooit precies kunnen achterhalen, omdat de bijstand van de H. Geest een bovennatuurlijk feit is, dat niet door middel van de ervaring kan worden vastgesteld. Wel echter kan de zgn. geschiedenis van de canon enigszins blootleggen langs welke wegen Gods bijstand en beleid zijn gegaan.

Uit het O.T. blijkt, dat de Joden verzamelingen van heilige boeken kenden; de proloog van Ecclesiasticus kent zelfs de bekende driedeling van het O.T. in „Wet, Profeten en de andere boeken der vaderen”. Maar met dat al weten wij niet wat die verzamelingen precies omvatten en evenmin welke instantie uitmaakte welke boeken heilig waren en welke niet, en hoe deze instantie werkte. Priesters en profeten zullen er wel een belangrijke rol in gespeeld hebben. Het feit ligt er echter, dat er onder de leiding van de H. Geest langzaamaan zo’n lijst is vastgesteld als wij bezitten in de Alexandrijnse canon, die zowel de protoals de deuterocanonieke boeken omvat. Naast deze Alexandrijnse canon zou volgens de meeste geleerden een andere, zgn.

Palestijnse canon hebben bestaan, die uitzonderingen daargelaten de deuterocanonieke boeken niet zou hebben aanvaard, maar anderen ontkennen voor de tijd rond Christus het bestaan van een dergelijke canon. Hoe het ook zij, in ieder geval blijkt uit het N.T., dat reeds de apostelen ook de deuterocanonieke boeken benut hebben en in ieder geval de Septuagint hanteren, de Griekse vertaling, welke door Joden in de diaspora was gemaakt en in de ons bekende handschriften de ruimere canon biedt. De Oude Kerk heeft zich daarbij aangesloten, al zijn er hier en daar schommelingen te constateren, vooral in het O.T. Ook de boekenserie van het N.T. is langzaamaan tot stand gekomen. Aanvankelijk was er alleen de mondelinge prediking van de Blijde Boodschap, maar al naarmate de tijd verstreek en de Kerk zich verspreidde, kwam de behoefte op om het Evangelie vast te leggen. Daarnaast ontstonden er al vroegtijdig verzamelingen van de brieven van Paulus, gelijk 2 Petr. 3 : 15-16 getuigt, alwaar deze brieven heel duidelijk op één lijn worden gesteld met de Schriften van het O.T.

Onder de druk der omstandigheden, het gevaar van het gnosticisme e.a., kwam de Kerk er reeds tamelijk vroeg toe om ook een canon van het N.T. op te stellen. Haar normen schijnen daarbij te zijn geweest: de apostolische oorsprong, het liturgische gebruik en de zuiverheid van de leer. De apostolische vaders citeren reeds sommige nieuwtestamentische teksten als H. Schrift, al vindt men ook wel de Didachè, de Clemensbrief e.a. op één lijn gesteld met de canonieke boeken. Uit het gnostische „Evangelie der waarheid” is onlangs gebleken, dat men in Rome rond 140 n. Chr. een canon van het N.T. hanteerde, welke practisch identiek was met de onze.

Op de canon van Muratori (2de helft van de 2de eeuw) komen reeds alle nieuwtestamentische boeken voor, behalve 1 en 2 Petr., Jac., 3 Jo. en Hebr. Gaat men de geschiedenis verder na, dan ziet men, dat er twijfel bleef over sommige der zgn. „Katholieke brieven”, over Hebr. en Apoc., maar rond de 5de eeuw vindt men zowel in het Oosten als in het Westen de huidige R.K. canon aanvaard, gelijk ook blijkt uit oude codices als de Vaticanus en de Sinaiticus, gebruiksboeken, die teruggaan op voorbeelden uit de 2de en 3de eeuw. Tot aan de Reformatie bleef dit zo. Luther echter verwierp Hebr., Jac., 2 Petr. en Apoc. als zijnde niet canoniek, maar men vindt ze toch wel in de protestantse Bijbels, behalve dan in sommige lutheraanse exemplaren. Naar aanleiding van de Reformatie heeft het concilie van Trente zich uitgesproken over de volledige canon van het O.T. en N.T.; als criterium werd vastgesteld: de gewoonte van de Kerk en de overeenstemming met de oude, Latijnse Vulgaat (Denz. 783-4).

De vraag of er nog geïnspireerde boeken zouden bestaan, welke niet op de canon voorkomen, de kwestie dus van de zgn. „open canon”, behoeft principieel niet ontkennend beantwoord te worden.

3.Schrift en Traditie. In de schoot van Israël en de Kerk onder Gods ingeving ontstaan, bezit de Bijbel een zeer nauwe band met de Kerk en met de traditie in de Kerk. Als het geloof leert, dat de Bijbel Gods woord is, dan houdt dat in, dat hij geen dwaling kan bevatten, maar als hetzelfde katholieke geloof leert, dat de Kerk als geheel niet kan dwalen, evenmin de bisschoppen als zij gezamenlijk iets leren, noch ook de paus, als hij als hoofd der Kerk een officiële uitspraak doet, dan kunnen ook nooit Bijbel en officiële kerkleer tegenover elkaar komen te staan. Dezelfde H. Geest inspireerde immers de Bijbel en leeft in de Kerk. Daarom kent de Katholiek het zgn. vrije onderzoek niet. De Bijbel is door God aan de Kerk toevertrouwd en deze is daarom dé uitlegster van de H. Schrift. Sinds de Hervorming heeft het kerkelijk leergezag zich meermalen over de verhouding Bijbel Kerk (en traditie) uitgesproken. Trente verklaarde reeds: „dat niemand op eigen inzicht steunend, in zaken van geloof en zeden, behorende tot de opbouw van de christelijke leer, het wagen mag de H. Schrift naar zijn eigen opvattingen te verdraaien, en de H. Schrift zó mag verklaren, dat hij ingaat tegen die zin, welke gehouden is en gehouden wordt door onze heilige Moeder, de Kerk, wier taak het is te oordelen over de ware zin en de uitlegging der heilige Schriften, of ook zó, dat hij ingaat tegen het eenstemmig gevoelen der Vaders, ook al zouden dergelijke verklaringen nooit worden uitgegeven” (Denz. 786). Het Vaticaans concilie heeft dit nog eens onderstreept (Denz. 1788) en in de pauselijke encyclieken van de laatste decennia werd dit punt telkens aangeraakt en nader uitgewerkt, met name in Providentissimus van Leo XIII en in Divino Afïlante Spiritu en Humani Generis van Pius XII. De Bijbel blijkt als geloofsregel geheel met de kerkelijke traditie verweven en dit voert ons tot de beschouwing van
4.De Bijbel als Boek des Geloofs. Vanouds bezat de Kerk een grote eerbied voor de Bijbel en liet er bij al haar diensten plechtig uit voorlezen. De liturgie belichtte vaak aldus reeds bepaalde pericopen en teksten, terwijl de preken en conferenties van kerkvaders en kerkelijke schrijvers er van getuigen, dat moeilijke passages aan de gelovigen werden uitgelegd en toepassingen voor het levensgedrag werden gemaakt.

Daarnaast was de private lezing zeer in ere en voortdurend hebben de Vaders gewezen op het nut van de persoonlijke, private Bijbellezing. Een overzicht van deze uitspraken der Vaders kan men vinden in de encycliek „Providentissimus” van Leo XIII (Ench. Bibl. 73-77). Eerst sedert de 13de eeuw ging de Kerk er toe over beperkingen te maken, toen zekere dwalingen, die zich op verkeerd begrepen Bijbelteksten beriepen, opgang dreigden te maken. Aanvankelijk waren deze beperkingen van plaatselijke en particuliere aard, maar met de Hervorming, die het lezen van de Bijbel zeer sterk propageerde en bovendien profiteren kon van de pas uitgevonden boekdrukkunst, kwamen er algemene bepalingen voor de gehele Kerk. Dit hield geen geringschattend waarde-oordeel in over de lectuur van de Bijbel als zodanig zelfs Trente beveelt de lezing aan (Ench.

Bibl. 50-55) -, maar het was zaak er voor te zorgen, dat de Bijbel goed werd gelezen, d.w.z. onder de leiding van de Moederkerk, en daarom bepaalde bijv. Benedictus XIV, dat geen Katholiek de Bijbel in de volkstaal mocht lezen zonder speciaal verlof van de H. Stoel, en ook al had men dat verlof, dan nog mocht men slechts uitgaven gebruiken, die door de H. Stoel waren goedgekeurd of voorzien waren van aantekeningen aan kerkvaders en katholieke geleerden ontleend. Toen de gevaren minder werden, werden ook de beperkende bepalingen milder. Pius X prees het werk van het Genootschap van de H.

Hieronymus, dat de tekst van de Evangeliën meer onder het volk bracht, en zeide letterlijk: „dat dit streven er toe zal bijdragen om het bekende vooroordeel uit de weg te ruimen, dat de Kerk het lezen der H. Schrift in de volkstaal niet wil toestaan of tegenwerkt”. Sindsdien hebben de pausen voortdurend het lezen van de Bijbel aangeprezen en gepropageerd, vooral omdat bij de devote, meditatieve lezing van de Schriftuur de H. Geest de lezer zal leiden en verlichten, „want wie tot de Bijbel nadert met een vroom gemoed, een vast geloof, een nederige geest en met het verlangen er zijn voordeel mee te doen, hij zal daarin het brood vinden en nuttigen, dat uit de hemel is nedergedaald” (Benedictus XV, ene. Spiritus Paraclitus).

5. De Zin van de Schrift. Evenals ieder boek moet de Bijbel allereerst in zijn letterlijke (d.i. de door de menselijke schrijver bedoelde) zin worden verstaan. De Bijbel is echter een zeer oud boek, eeuwen her in een Oosterse omgeving ontstaan, en derhalve is de letterlijke zin van bepaalde woorden en verhalen niet altijd gemakkelijk te achterhalen. Vandaar dan ook, dat Pius XII in de ene. Divino afflante Spiritu schrijft, dat de exegeten: „de letterlijke zin van de woorden met alle zorgvuldigheid moeten opdiepen door middel van hun talenkennis, met behulp ook van de samenhang en vergelijking met overeenkomende Schriftuurplaatsen. Dit alles immers wordt gewoonlijk ook bij het verklaren van profane schrijvers te hulp geroepen om de gedachte van een schrijver duidelijk te doen uitkomen. Maar indachtig, dat het hier over het door God geïnspireerde woord gaat, waarvan de zorg en verklaring door God zelf aan de Kerk zijn toevertrouwd, moeten de Bijbelverklaarders evenzeer rekening houden met de uiteenzettingen en uitspraken van het kerkelijk leergezag, eveneens met de uitleg der H. Vaders en bovendien met de Analogie des Geloofs”. Tegelijkertijd wijst de H. Vader op de noodzaak nauwkeurig de letterkundige vorm, het literaire genre van ieder onderdeel der Schrift te bepalen, wil men de eigenlijke bedoeling van de gewijde schrijver vatten. Daarnaast echter is het een feit, dat: „woorden en gebeurtenissen van het Oude Verbond door God in zijn wonderbare wijsheid zo zijn geregeld en beschikt, dat ze in het verleden op geestelijke wijze een voorbeduiding waren van wat geschieden zou in het Nieuwe Verbond der genade. Daarom moet de Schriftverklaarder, evengoed als de zgn. letterlijke zin, door de gewijde schrijver bedoeld en uitgedrukt, ook de geestelijke zin opsporen en verklaren, wanneer tenminste naar behoren vaststaat, dat deze door God er in is gelegd. Want God alleen kan deze geestelijke betekenis kennen en ons openbaren” (Pius XII, o.c.). De paus wijst er dan op, dat men over deze geestelijke, spirituele, typologische zin, of hoe men hem verder ook noemen wil, zekerheid kan bekomen vanuit het N.T., vanuit de eenstemmige leer der Vaders en uit de liturgie.

Uit dit alles blijkt, dat de exegese van de Bijbel een echte tak van de theologie is, terwijl bovendien duidelijk wordt wat onder 3 en 4 werd gezegd over Schrift en traditie en over de private lezing van de H. Schrift (verder zie Exegese).

6.De term „Bijbelse Theologie”. Eigenlijk is de term bijbelse theologie een vreemde woordcombinatie. Als de Bijbel naar het woord van Leo XIII de „ziel van de theologie” moet zijn (Ene. Providentissimus), dan moet uiteraard alle theologie bijbels zijn. De naam bijbelse theologie heeft echter vooral sinds de Reformatie burgerrecht gekregen, met name in protestantse kringen; zodra immers de Bijbel de enige bron van openbaring werd, werd daarmee theologie noodzakelijk tot bijbelse theologie alleen. De laatste decennia heeft de naam echter ook onder de katholieke theologen opgang gemaakt en men duidt er dan die tak van de theologie mee aan, welke de godsdienstige leer van de Bijbel systematisch uiteenzet. Zij zoekt de oorsprong van bijbelse ideeën na, diept hun zin en inhoud uit en poogt een systematisch beeld te geven van de bijbelse openbaring. Men onderscheidt een bijbelse theologie van het O.T. en van het N.T. Vooral de laatste twintig jaren heeft de bijbelse theologie zich ontwikkeld tot een zeer voorname hulpwetenschap van de dogmatische theologie.
7.Bijbelhandschriften. De oorspronkelijke handschriften (= autografen) van de bijbelse schrijvers, die op last van God schreven, zijn verloren gegaan en wij zijn derhalve op afschriften aangewezen. Uiteraard slopen er met verloop van tijd zeer vele fouten in de oorspronkelijke tekst binnen, ook al werd daardoor de tekst niet substantieel veranderd. Het is de taak van de tekstcritiek om met behulp van de verschillende handschriften, van oude vertalingen en citaten bij oude schrijvers, met behulp ook van de interne critiek, de oorspronkelijke tekst vast te stellen of althans te benaderen.

TEKST VAN HET O.T. Toen de scheiding tussen Jodendom en Christendom steeds duidelijker was geworden, legden de joodse rabbijnen zich er op toe de Hebreeuwse (en op enkele plaatsen Aramese) tekst welke zij bezaten zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen voor het nageslacht. De letters werden zelfs geteld, de uitspraak vastgelegd en het geheel van dit technische apparaat kreeg de naam „Masora” (overlevering), terwijl de samenstellers later Masoreten werden genoemd. De Christenen daarentegen benutten meer de Septuagint en andere Griekse vertalingen. Tot 1947 kende men ongeveer 1500 handschriften van de Masoretentekst, maar voor de periode van vóór de Masoreten was men aangewezen op enkele fragmenten, die de Decaloog en Deut. 6 : 4-5 bevatten, de zgn. Papyrus Nash.

De tekstcritici moesten dus de oorspronkelijke tekst proberen vast te stellen hoofdzakelijk door vergelijking van de verschillende lezingen van de Masoretentekst met die der oude vertalingen. Sinds er in 1947 echter bij de Dode Zee (bij Ain Fasjka) boekrollen werden gevonden, bevattend o.a. de Hebreeuwse tekst van Isaias en een commentaar op Habakuk en hoogstwaarschijnlijk uit de tijd vóór de Masoreten, is daarin verandering gekomen. De bestudering van deze rollen is nog in volle gang. De voornaamste uitgaven van de Hebreeuwse tekst zijn: die van Jacob ben Chajjim, de zgn. editio Bombergiana (Venetië 1524-1525) en die van de Complutenser Polyglot . De modernste uitgave is de Biblia Hebraica, door Kittel-Kahle (ed. 7, 1951). Voor de uitgaven van de Griekse tekst van het Ö.T. zie Septuagint. TEKST VAN HET N.T. Omdat deze boeken dichterbij liggen en van het begin af aan door een veel grotere groep werden gebruikt, is het aantal handschriften hier ook veel groter: meer dan 4000.

Om deze gemakkelijk te kunnen aanduiden, heeft men een bepaald systeem uitgedacht .De oudste handschriften, geschreven in een soort Griekse hoofdletters, noemt men unciaal- of majuskelhandschriften, en deze worden aangeduid door Griekse of Latijnse hoofdletters, of (de latere groep) door Arabische cijfers met een nul er voor; zo betekent bijv. 047: een Grieks manuscript uit de 5 de eeuw, zich bevindend in de Vaticaanse bibliotheek en bevattend Hand., Kath. Brieven en de brieven van Paulus. De voornaamste handschriften of codices zijn:

B = Vaticanus, waarschijnlijk in de 4de eeuw in Egypte vervaardigd. Heeft het hele O.T. (in het Grieks natuurlijk) en N.T. bevat, werd echter beschadigd, zodat een deel van het N.T. nu ontbreekt. Bevindt zich in de Bibliotheca Vaticana te Rome. S = Sinaiticus, werd in 1844 door Tischendorf ontdekt in het Catharina-klooster op de Sinaï en kwamin het bezit van de Staatsbibliotheek te Petrograd; in 1934 werd hij door het Brits Museum te Londen aangekocht. Bevatte O.T. en N.T., en werd waarschijnlijk eveneens in Egypte geschreven (4de eeuw). A = Alexandrinus, geschreven in de 5 de eeuw, behoorde vroeger toe aan het patriarchaat van Alexandrië, waaraan hij ook zijn naam ontleent.

Bevatte O.T. en N.T., is echter hier en daar gehavend. Wordt bewaard in het Brits Museum te Londen. C = Codex Ephraemi rescriptus, bevat fragmenten van het O.T. en het volledige N.T. De Bijbeltekst stamt uit de 5 de eeuw, maar over die tekst heen heeft men later teksten van Ephraem geschreven, vandaar de naam van dit manuscript.

D = Bezae of Cantabrigiensis en D = Claromontanus, beide uit de 6de eeuw. Eerstgenoemde bevat Evangeliën en Hand., laatstgenoemde de brieven van Paulus.

Ook voor het N.T. zijn er in de laatste decennia vele vondsten gedaan, die de tekstcritiek kunnen helpen bij het vaststellen van de oorspronkelijke lezingen: het vinden van vele oude papyri , sommige zelfs uit het begin van de 2de eeuw, bracht grote verrassingen. Deze papyri duidt men aan met een hóófdletter P, die gevolgd wordt door een Arabisch cijfer; zo betekent bijv. P45: deel van de Chester Beattypapyri, uit de 3de eeuw, bevattend Evangeliën en Hand.

De latere handschriften, de zgn. minuskels, duidt men gewoonlijk aan met een enkel Arabisch cijfer. De eerste in druk verschenen uitgave van het Griekse N.T. is die van Erasmus (Bazel i^ró). Hem volgden: Henricus Stephanus (Estienne, Parijs-Genève, vooral bekend is de editio regia van 1550) en Bonaventura en Abraham Elzevier (Leiden-Amsterdam 1624-1678). Deze uitgaven, die alle de zgn. textus receptus = ,,de (door allen) aanvaarde tekst” bevatten, waren echter critisch onbetrouwbaar en sinds de vorige eeuw begonnen er dan ook nieuwe uitgaven te verschijnen, welke steunden op de gegevens van de moderne tekstcritiek. De voornaamste zijn: C. Tischendorf (ed. 8, Leipzig 1869-1872), B.

F. Westcott — F. J. A. Hort (ed. 2, Cambridge-Londen 1896—1898), H. von Soden (Berlijn-Göttingen 1902— 1913), E. Nestle (ed. 16, Stuttgart 1954; alleen Grieks: ed. 29, 1952), J.

H. Vogels (ed. 3, Freiburg i. Br. 1949-1950), A. Merk (ed. 6, Rome 1948), J. Bover (ed. 2, Madrid 1950). De indeling in hoofdstukken en verzen, welke men in al deze uitgaven uniform aantreft, dateert pas vanaf de Middeleeuwen.

8. Bijbelvertalingen. De Bijbel is Gods woord voor alle mensen. Oorspronkelijk in het Hebreeuws, Aramees en Grieks geschreven waren er voor de gelovigen, die deze talen niet spraken, dus al spoe-

dig vertalingen nodig. Zo ontstonden er reeds vroeg de Septuagint (= dé Griekse vertaling van het O.T.) en daarnaast de Griekse vertalingen van Aquila, Theodotion en Symmachos. De verspreiding van het Christendom in Italië, N.-Afrika, Spanje en Gallië bracht de noodzaak van een vertaling in het Latijn met zich mee. Reeds vóór Hiëronymus waren er Latijnse vertalingen in omloop, maar deze heeft — werkend op de grondtekst een nieuwe vertaling gemaakt, welke de grondslag werd voor wat men later de Vulgaat noemde en die langzaamaan de standaardtekst werd van de Westerse Kerk; op het concilie van Trente (1546) werd deze voor (juridisch) authentiek verklaard. Daarnaast vindt men uit de Oude Kerk Syrische, Koptische, Armeense, Georgische, Gotische e.a. vertalingen. Vooral sinds de Reformatie heeft de vertaling van de Bijbel in de verschillende volkstalen een grote vlucht genomen.

Voor Nederland noemen wij: de vertaling van Nie. van Winghe, welke in 1599 verbeterd door Jan Moerentorf werd uitgegeven, de Statenbijbel (1637), de Leidse Vertaling 1899-1912), de zgn. Petrus Canisius-vertaling (1929 w.; kath.), en de in 1951 gereed gekomen Bijbel in Nieuwe Vertaling op last van het Nederlandsch Bijbelgenootschap (prot.). De kerkelijke wetgeving betreffende de vertalingen van de Bijbel vindt men in de C.I.C.: can. 1391, 1399 en 1400.

j. v. D.