Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

Gepubliceerd op 02-01-2020

ADVENT

betekenis & definitie

(Lat. Adventus, komst) is in het Westen de periode van het kerkelijk jaar die voorafgaat aan het Kerstfeest.

Zij komt sinds de 6de eeuw in de kalender voor en is onder invloed van het Sacramentarium Gregorianum op 4 weken vastgesteld. Volgens jonger gebruik vormt de 1ste Zondag van de Advent het begin van het kerkelijk jaar.

Het hoofdmotief van de Advent is de verwachting van de komst des Heren; volgens bijbels perspectief valt daarbij de verwachting van de geboorte (lezing van de messiaanse profetieën van Isaïas en van de passages uit de Evangeliën betreffende het optreden van Johannes de Voorloper) samen met die van de wederkomst des Heren (bijv. lezingen in de mis van de iste Zondag). Vanouds wordt gedurende de Advent ook bijzonder het goddelijk Moederschap van de Maagd Maria herdacht (lezing van Is. 7:1015 en Luc. 1 : 26-38 in de mis van Quatertemperwoensdag in de 3de week).

Gedurende de Middeleeuwen gold de Advent als een boetetijd; vandaar de paarse kleur der liturgische gewaden, het zwijgen van het orgel en het ontbreken van de lofzang Gloria. De eigenlijke sfeer van de Advent is er echter een van ingetogenheid en blijde verwachting.

De 3de Zondag van de Advent „Gaudete” (oudtijds de laatste Zondag voor Kerstmis waarop statiemis werd gehouden, daar wegens de nachtmis van Quatertemperzaterdag de mis van de 4de Zondag eerst later een eigen, aan de voorafgaande dagen ontleend formulier kreeg) heeft als voorfeest een meer feestelijk karakter. Naar analogie van Zondag' „Laetare” in de vastentijd is op die dag het gebruik van roserood als liturgische kleur toegestaan. c.

A. B.