gat betekenis & definitie

n nt ( pl -en )
1 opening of holte
    ◊ een gat graven
    ◊ een gat boren
    ◊ een gat vullen/dichten
    ♦ een gat in de lucht springen erg blij zijn
    ♦ er geen gat in zien geen oplossing zien
    ♦ het ene gat met het andere vullen nieuwe schulden maken om oude schulden te betalen
    ♦ een gat in je hand hebben meer geld uitgeven dan je hebt
    ♦ niet voor één gat te vangen zijn de moed niet snel verliezen
    ♦ iets in de gaten hebben iets snappen of doorzien
    ♦ in een zwart gat vallen in een sombere, onzekere situatie terechtkomen
    ♦ een gat in de dag slapen lang uitslapen
    ♦ een gat in de markt mogelijkheid om een (nieuw) product te verkopen
    ♦ Daar is het gat van de deur! <dit zeg je tegen iemand die je wegstuurt>
2 =kont; billen
    ◊ op je gat vallen
    ♦ het bedrijf ligt op zijn gat het bedrijf is inactief, er gebeurt niets
    ♦ met je gat in de boter vallen Belg. =het treffen; veel geluk hebben
3 =gehucht; heel klein, onbelangrijk dorp
    ◊ in een gat wonen
; see also gaatje