Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 24-02-2020

wacht

betekenis & definitie

(-en; -je) [~ waken]

I. v. Eig. het waken, letten op wat voorvalt: de houden; de soldaat stond op -; op trekken; de betrekken; iemand de aanzeggen, ernstig waarschuwen. ➝ oor.

II. Metn.

1. m. hij die de wacht houdt: de was in slaap gevallen; nachtwacht.
2. v.
a. Algm. gezamenlijke personen die de wacht houden: er staat dag en nacht een vóór het koninklijk paleis; de uitzetten, aflossen; de in het geweer roepen; de kwam in het geweer.
b. Scheepst. helft der wacht houdende matrozen onder het bevel van de eerste- of de tweede-stuurman: aan bakboord staat de onder de eerste-, aan stuurboord onder de tweede-stuurman.
3. militair wachthuis: men bracht de dronkaard in de -; iets in de slepen, wegpakken, gappen.
4. Scheepst. wachttijd: er zijn zes -en elk van vier uur; de eerste gaat van acht uur tot middernacht, de hondewacht van middernacht tot vier uur, de dagwacht van vier tot acht uur, de voormiddagwacht van acht tot twaalf uur, de namiddagwacht van twaalf tot vier uur, de platvoetwacht van vier tot acht uur.

< >