Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 27-09-2020

2020-09-27

stand

betekenis & definitie

I.(stant) m. (-en; -je)

A. [< staan I1 a] wijze van staan : een onbeweeglijke aangenomen hebben; zich in verschillende -en laten fotograferen; een fraaie, plastische -; gesloten, open -, met de benen al of niet naast elkaar bij gymnastische oefeningen.
B. [< staan 11 b a] het vast staan, in Gez. houden, staande blijven in de strijd of niet vallen, niet bezwijken of in de oorspronkelijke toestand blijven ; kiezen, positie nemen; zich in van tegenweer stellen, zich in staat van tegenweer stellen.
C. [< staan I 1 b b] I. Eig. het blijven staan op dezelfde plaats : houden.

II. Metn.

1. hoop mensen die ergens blijven staan, oploop : er was een -je op de markt. Syn. → beroering.
2. standje [oorzaak van 1] a. onaangenaamheid, twist : met iemand -jes hebben, b. berisping : iemand een -je geven; een -je krijgen.
3. standje, ruzie makend persoon : wat een driftig, opgewonden, zenuwachtig -je! -
D. [< staan I 2]
I. Eig.
1. Algm. wijze waarop iemand zich bevindt, toestand, gesteldheid: dat is voor mij de meest wenselijke -; burgerlijke -, iemands wettelijke of rechtstoestand of dienst, bureau op het gemeentehuis, waar alle aangiften betreffende geboorten, huwelijken, echtscheidingen en overlijden moeten gedaan worden.
2. Inz. toestand, rang, in de maatschappij : zij zijn van een zelfde -; van geringe, hoge, lage, nederige -; zijn ophouden; in, buiten zijn -; boven, beneden, onder zijn -; naar, volgens iemands -; adellijke, geestelijke, militaire -; iemand van -, van hogere stand.

II. Metn. [van I 2] gezamenlijke tot een bepaalde stand behorende personen : de maatschappelijke -en; de -en in de maatschappij; de eerste, hogere, lagere, mindere -en; de arbeidende, beschaafde, bezittende, gegoede, landbouwende, werkende -; reeds de oude Germanen kenden -en; sedert de middeleeuwen onderscheidde men gewoonlijk drie -en nl. de adel, de geestelijkheid en de burgerij (derde -), later ook de arbeiders (vierde -); de Standen, de Staten (→ staat II 2 d).

E. [< staan II1 a] wijze waarop iets staat: de van een mast.
F. [< staan II 1 b a] het vast, stevig staan, nog in uitdr. : in blijven, blijven bestaan: in houden, laten voortbestaan.
G. [< staan II 2]
I. Eig. het zich bevinden, het zijn, in uitdr. : iets tot brengen, doen ontstaan ; tot komen, ontstaan. II. Metn.
1. Algm. wijze waarop zich iets materieel bevindt : de van de ogen; de van een planeet; hoge. middelmatige, lage -{en) van een rivier.
2. Inz. stand, ligging van een gebouw : je woont hoog, maar 't is een mooie -; het huis ligt, hij woont op een nette -.

III. Metf. [van II] toestand, gesteldheid, staat: hoe is de van de zaken? de huidige, tegenwoordige, vroegere -; zich in zekere bevinden ; in een zekere brengen; in de blijven waarin het is; iets in de laten waarin het is ; de van de beurs.