Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 04-02-2020

school

betekenis & definitie

(schod) v.(scholen ;-tje) [Lat.schola]

I. Eig. inrichting, gebouw waar onderwijs wordt gegeven : een oprichten, bouwen, opheffen; naar, op, ter gaan; naar, op of op de of op 't zijn; lopen; ze krijgen dat op -; van komen; zijn zoon ergens op doen, leggen; van nemen ; guitenstreken met vriendjes van ; de-verzuimen; ambachts-, avond-, bewaar-, burger-, handels-, gemeente-, hoge-, jongens-, kost-, rijks-, kweek-, muziek-, meisjes-, mulo-, normaal-, schilder-, teken-, vak-, volks-, zwemschool; voor maatschappelijk werk; lagere, middelbare -; een openbare, biezondere, vrije -; een → aanneembare, → aangenomen -; de kristelijke, katolieke, neutrale -; betaalde, kosteloze -; een voor huisvlijt; het hoofd van een -. Gez. de grote -, de lagere school, in tegenstelling met de bewaarschool; een gemengde -, voor jongens en meisjes of voor verschillende gezindten; (op) liggen, op een kostschool zijn; prot. met de bijbel, waarin het onderwijs op het godsdienstig geloof volgens de bijbel steunt; uit de babbelen, klappen, praten, iets vertellen dat niet voor openbaarheid bestemd was.

II. Metn.

l.les, onderwijs : er is vandaag geen -; de is al begonnen.
2. gezamenlijke scholieren : de gaat uit; wat is die zenuwachtig!
3. reeks oefeningen te doorlopen met een bepaald doel; voor piano; dresseerschool.
4.richting in een wetenschap of kunst: de klassieke in de geneeskunde; in de schilderkunst de moderne volgen.
5. gezamenlijke volgelingen van een meester : de van Platoon, Rembrandt, Rubens, Gezette; maken, volgelingen hebben.

III. Metf.

1. [van I] plaats, toestand waar gelegenheid is om iets te leren : die Londense omgeving is voor hem een echte van wellevendheid.
2. [msch. van II 5] menigte vissen van dezelfde soort : een haringen.

< >