Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 27-09-2020

2020-09-27

punt

betekenis & definitie

o. (-en; -je) [Lat. punctum < pungere, steken]

I. m. Eig.
1. uiterste, veelal scherp toelopend einde om te steken: de van een degen, een dolk, een ➝ mes, een ➝ naald, een ➝ nagel, een ➝ paal, een ➝ passer, een ➝ pijl, een ➝ speld, een ➝ zwaard.
2. Algm. spits uitlopend gedeelte: de van een neus, een potlood, een sigaar, een wapenschild; een (land)punt omzeilen; op de -en van de tenen lopen; daar kan ie een -je aan zuigen, een voorbeeld aan nemen.

Syn. spits. II. Metn.

1. Algm. [door een punt gestoken of getekend] klein rondetje: -en en streepjes zetten; een cirkel trekken die door drie -en gaat; een meetkundig heeft geen afmetingen; brand-, hoek-, raak-, snij-, toppunt. ➝ tee.

Syn. stip.

2. Inz.
a. ook v. punt als sluitteken aan het einde van een volzin: vergeet de niet achter de zin.
b. ook v. punt op een i of j: overal zijn de -en op de i’s vergeten; de -jes op de i zetten, iets nauwkeurig nagaan of uitvoeren,
c. maat van 3/8 mm waarnaar de drukletters berekend worden: die letter is twee -en te groot.

III. Metf.

1. eenheid waarnaar het winnen of verliezen berekend wordt: bij het biljartspel tien -en vóór zijn; hoeveel -en heb je in 't eksamen voor rekenen (gehaald)? je krijgt bij de wedstrijd vijf -en vóór.
2. tijdstip: op het staan, zijn (om) te vertrekken.
3. iets wat de grens uitmaakt: je mag hem wel tegenspreken, maar alleen tot een zeker -; kook-, smeltpunt.
4. a. Algm. onderdeel: hij heeft al vier -en van zijn verhandeling klaar; iets voor nagaan; de -en van een opstel; de -en van een aanklacht, een proces; nu komen wij tot het kritische -; dat blijft nog altijd een donker -.
b. Inz. onderdeel van een distributiekaart waarvoor men waren krijgt: hoeveel punten moet je geven voor een nieuw pak? textielpunten.
5. biezonderheid, zaak: een netelig, teer -; het in kwestie; over dat zijn we het niet eens. Gez. de fijne -jes, de laatste zorg aan een werk besteed; de -jes gaan, zijn eraf, de biezonderheden vergeet men, weet men niet meer; iets in de -jes kennen, weten, tot in de kleinste biezonderheden; in de -jes zijn, nauwkeurig, netjes in orde; op de -jes letten, op de kleinigheden; op het van eer is hij zeer gevoelig, hij acht zich spoedig beledigd wat het eergevoel betreft.