Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 13-02-2020

Pruis

betekenis & definitie

m. (-en) inboorling, man afkomstig van Pruisen.

Pruisen ('pruisən) o. [Borussen < Kussen] gedeelte van Duitsland.

Geschiedenis. De bakermat van Pruisen is het keurvorstendom Brandenburg, dat Frederik van Hohenzollern, burggraaf van Neurenberg, 1415 van keizer Sigismənd als leen verkreeg. De grəndlegger van Pruisens macht is Frederik Willem, de Grote Keurvorst 1640-1688. Zijn zoon Frederik I verkreeg 1701 van keizer Leopold I de titel van koning. Frederik Willem I schiep zich een voortreffelijk leger. Zijn zoon Frederik II de Grote ontnam aan Oostenrijk door de Silezische Oorlogen Silezië, verkreeg bij de Eerste Verdeling van Polen 1772 West-Pruisen en maakte zijn land tot grote mogendheid.

Onder Frederik Willem II werd Pruisen, bij de Tweede en Derde Verdeling van Polen, aanmerkelijk vergroot. Sedert 1871 maakte Pruisen deel uit van het Duitse Keizerrijk en deelde verder de lotgevallen van dat land.

KONINGEN VAN PRUISEN Huis van Hohenzollern

1. Frederik I 1701
2. Frederik Willem I < 1 1713
3. Frederik II de Grote < 2 1740
4. Frederik Willem II neef van 3 1786
5. Frederik Willem III < 4 1797
6. Frederik Willem IV < 5 1840
7. Willem I < 5 1861

sinds 1871 Duits keizer (→ Duitsland).