Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 15-08-2020

2020-08-15

proef

betekenis & definitie

v. (proeven; -je)

A. [proeven I 2] datgene waardoor men iets aantoont, blijk : een van dichterlijk vernuft; een van moed, trouw, volharding.
B. [proeven II 1 a]
I. Eig.
1. Algm. onderzoek naar de waarde, keuring : van iets een nemen; proeven nemen, doen met een nieuwe soort van vliegmachine; iets op zenden; vuur-, waterproef; een doorstaan; bestand zijn tegen een -;- in een bestaan; een natuurkundige, scheikundige -.

Gez. iemand op de- stellen, hem beproeven ; iets op de bewijzen, in de praktijk, in het gebruik; op de bezwijken, haar niet kunnen doorstaan ; houden, bestand zijn tegen de - of een proef.

2. Wisk. onderzoek naar de juistheid van een bewerking : de op de deling maken; de komt niet uit; elf-, negenproef; de op de som maken, geven, leveren ook Fig. een blijk van waarheid leveren.

II. Metn.

1.proefje, gedeelte van iets dat men wil keuren : een -je wijn, sigaren, laken; ergens een -je van nemen. Syn. → monster.
2. staal(tje): dat is een -je van zijn verhaaltrant; proeve van illustratie; proeve van bewerking.
C. proefje [proeven II 1 b] gedeelte van spijs of drank waaraan geproefd wordt : een -je van je fijne wijnen.
D. [proeven II 1 c]
1. Eig. het proberen, probeersel: je zal een verslag schrijven, bij wijze van -; op komen werken; de doen, nemen, proberen.
2. Metn. iets waardoor men probeert, de mate van zijn kunnen toont: hij verbrandde zijn proeven van poëzie; een van woordverklaring; een (druk-) proef trekken, nalezen, korrigeren, verbeteren, zenden; eerste, tweede, derde -.