Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 13-02-2020

Polen

betekenis & definitie

('po:lən) o. [Slav. pole, vlakte] republiek in Europa. Hoofdstad : Warszawa.

1. Aardrijkskundig. Oppervlakte : 312 000 km2; vroeger (1938) 388 000 km2; geannexeerd Duits gebied : 103 000 km2; aan Rusland afgestaan gebied : 76 000 km2 (meer dan 2 x België). Polen bestaat grotendeels uit laagvlakte, hier en daar met heuvels bezet. Het klimaat is meer kontinentaal dan in Duitsland, wat hieruit blijkt dat de Weichsel 100 dagen per jaar bevroren is. Landbouw, veeteelt en bosbouw zijn de hoofdmiddelen van bestaan. Hoofdprodukten zijn koren, aardappelen en suikerbieten. De kleine boeren in het zuiden houden veel pluimvee. In het zuiden

liggen ook rijke steenkolenvelden en de zoutmijnen van Wjelitsjka (ten zuidoosten van Krakau); aan de voet van de Karpaten wordt petroleum gewonnen. De hoofdhavens zijn Danzig en Gdynia. Uitvoer : hout, petroleum, aardappelen, cement, kalk, suiker. Bevolking : (schatting) 24 000 000 inw.; vroeger (1938) 35 000 000 inw. : bevolking in het geannexeerd Duits gebied : 11 000 000 inw.; aan Rusland afgestane bevolking : 15 000 000 inw. Het grootste gedeelte van de bevolking is katoliek. Poolse Joden : 86 000 (1946) tegen 3 500 000 (1938).

2. Geschiedkundig. Na de Volksverhuizing namen de Polen, een Slavische stam, de plaats in van de Goten aan de Beneden-Weichsel. De historische tijd vangt aan met hertog MIËSKO, uit het geslacht van de Piasten (tot 1370), die 966 kristen werd. Zijn zoon BOLESLAUS I veroverde Pommeren, Moravië en Bohemen, stichtte 1000 het aartsbisdom Gnesen en nam de koningstitel aan. BOLESLAUS III verdeelde 1139 zijn rijk onder zijn vier zonen, waardoor burgeroorlogen ontstonden en het land in een aantal hertogdommen werd gesplitst. Silezië en Pommeren gingen in de XIIIde eeuw aan Duitsland verloren en de invallen van de heidense Pruisen noodzaakten de Poolse hertogen de hulp in te roepen van de Duitse Orde, die het gebied tussen Weichsel en Njemen veroverde en kolonizeerde en daardoor Polen van de zee afsloot. Eerst VLADISLAUS I (1296-1333) herstelde de eenheid van bet rijk. Zijn beroemde zoon KASIMIR III (1333-1870) veroverde Galicië en Podolië. Op hem volgde zijn neef LODEWIJK de Grote van Hongarije (1382), daarna diens dochter HEDWIG,

die met VLADISLAUS II Jagello, grootvorst van Litauen, huwde. Onder de Jagellonen (1386-1572) werd Polen de machtigste staat in Oost-Europa. VLADISLAUS II breidde het rijk uit tot aan de Zwarte Zee en KaSIMIR IV dwong 1466 de Duitse Orde West-Pruisen af te staan. Onder SIGISMOND I drong de Hervorming binnen en kwamen 1525, na de sekularizatie van de Duitse Orde, ook Koerland en Lijfland aan Polen. Intussen verviel het land aan de heerschappij van de adel, die zich de boeren lijfeigen maakte en zijn volle triomf behaalde toen 1572 Polen een republiek werd met een verkozen koning aan het hoofd. In 1587 kwam het Huls Vasa (tot 1668) op de troon.

JAN II KASIMIR verloor 1660 de heerschappij over Pruisen, 1667 Wit-Rusland. JAN III SOBIESKI bevrijdde 1673 het door de Turken bedreigde Wenen. In de Noorse Oorlog verving Karel XII van Zweden 1706 koning AUGUST II VAN SAKSEN door STANISLAUS LESZINSKI. Na de Poolse Erfopvolgingsoorlog werd 1738 August III algemeen erkend. Daarna besteeg door Russische invloed STANISLAUS II PONIATOWSKI de troon. Tijdens zijn regering hadden, niettegenstaande de heldhaftige pogingen van KOSCIUSZKO, de drie verdelingen onder Pruisen, Rusland en Oostenrijk plaats, waardoor Polen voor bijna 1 ¼ eeuw uit de rij van de Europese mogendheden werd geschrapt.

Na de vierde Koalitleoorlog schonk NAPOLEON een deel van Polen als groothertogdom Warschau aan koning FREDERIK AUGUST VAN SAKSEN. Het Wener Kongres 1815 verbond het groothertogdom als koninkrijk Polen met Rusland, behalve de republiek Krakau. Tsaar ALEXANDER I gaf een grondwet, die echter na de Poolse Omwenteling 1830 werd afgeschaft. Onlusten in 1846 leidden tot de inlijving van Krakau bij Oostenrijk. De sinds 1830 aangevangen russifikatie in geloof en taal werd na de opstand in 1863 (onder MIËROSLAWSKI en LANGIEwicz) met geweld doorgezet. De Eerste Wereldoorlog bracht de bevrijding, 1918 werd de republiek geproklameerd en het volgende jaar door het Verdrag van Versailles bekrachtigd.

De nieuwe republiek kon zich met veel moeite staatkundig en ekonomisch organizeren. Na de verovering door de Duitsers, in het begin van de Tweede ➝ Wereldoorlog, werd Polen een Generaal-goevernement binnen het Duitse Rijk. Dat goevernement werd 1941 vergroot met het vroegere Galicië (streek van Lemberg, tot aan Roemenië). Na de oorlog kreeg Polen een groot gedeelte van het vroegere Duitsland tot aan de Oder en de Görlitzer Neisse; uit dat gebied worden de Duitsers verdreven. In 1945 werd de oostelijke grens, waarvan de Boeg ⅓ vormt, vastgesteld met Rusland, dat ook de streek van Lemberg inlijfde. Rusland heeft in Polen een in hoofdzaak kommunistische regering aan het bewind gebracht, die o. a. het konkordaat met het Vatikaan verbrak.