Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 12-02-2020

Namen

betekenis & definitie

('na:mən)

I. hoofdstad van de provincie Namen, 1028 ha, 31 424 inw. Zetel van een bisdom. Metaalnijverheid, inz. spoorwegmateriaal: glasnijverheid, chemische industrie, boekindustrie, papiernijverheid, steengroeven.

II. o. provincie in België. Hoofdstad: Namen.

1. Aardrijkskundig.

Oppervlakte 4418 km2. Bodem. Ten noorden van de Samber en de Maas heuvelland, ten zuiden daarvan bergland oplopend in de bosrijke Ardennen tot 500 m (Croix-Scaille) en door mooie dalen (o. a. het Maasdal van Dinant tot Namen, het dal der Lesse met de grot van Han) doorsneden. Bevolking. 352 000 inw. (de minst bevolkte provincie) Walen. Landbouw. In het noorden tarwe en suikerbieten, elders rogge, spelt, aardappelen.

Veeteelt. In het noorden zware trekpaarden en hoornvee. Nijverheid. In het noorden suikerfabrieken, langs de Samber metaal- en glasnijverheid. Handel. Centrum: Namen. Adminisitratieve indeling: drie arrondissementen: Namen, Dinant, Philippeville.

2. Geschiedkundig.

In de oudheid woonden in het gebied der provincie Namen, de Aduatiekers die door CAESAR aan het Romeinse juk werden onderworpen. In de Frankische tijd maakte het deel uit van Austrasië, later van Lotharingen. In de Xde eeuw wordt BÉRANGER VAN LOMME als eerste graaf vermeld. Het graafschap zelf was minder uitgestrekt dan de tegenwoordige provincie omdat een deel van Condroz en Tusschen-Samber-en-Maas bij het bisdom Luik behoorde. In 1188 werd het leenplichtig aan Henegouwen en toen 1196 met HENDRIK DE BLINDE de mannelijke linie uitstierf, kwam het aan het Huis van Henegouwen, 1263 door aankoop aan Vlaanderen. In 1421 verkocht JAN III VAN NAMEN zijn land aan FILIPS VAN BOERGONDIÊ. Daarna vormde het een van de Zeventien Provinciën der Nederlanden en deelde in het verdere lot van deze.