Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 12-02-2020

mouw

betekenis & definitie

v. (-en; -tje)

1. Eig. armbekleedsel, meestal als deel van een kledingstuk : wijde, neerhangende, korte -en; de -en van een ➝ hemd; met de ellebogen door de -en; de -en opstropen; met opgeslagen -en; iemand bij de pakken, vatten; een paar losse -en; de monnik met de handen in de -en. Gez. een -. -en aan iets weten te passen, het weten te beredderen, te verhelpen; iemand iets op de spelden, het hem wijsmaken; iets uit de schudden, er vlug, zonder veel moeite mee te voorschijn komen, het vlug, onvoorbereid weten te geven; ze in de hebben, streken hebben. ➝ aap, gek. hand, leugen.
2. Metf. langwerpige houten bak waarin men melk te romen zet.