Jozef Verschueren

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 12-02-2020

molen

betekenis & definitie

('mo:lәn) m. (—s; -tje) [Lat. molina < molere, malen]

I. Eig.
1. werktuig waarmede, gebouw waar inz. graan door middel van twee scherpe stenen, waarvan zich de bovenste over de onderste beweegt, tot meel wordt gemalen : koren-, stoom-, water-, windmolen; in Nederland zijn er nog meer dan 1400 -s, waaronder 130 watermolens. Gez, de door de vang laten lopen, uitgelaten vrolijk zijn, zich door niets laten weerhouden; de is, loopt door de vang, blijft door de vang niet stilstaan of er hapert iets, de zaak is in de war of het scheelt hem in *t hoofd; de maalt niet meer, ik kan niet meer kauwen of niet meer eten; draaien als een -, licht van mening veranderen; de naar de wind keren, zich gedragen naar de omstandigheden; met -tjes lopen, niet al te wel bij het hoofd zijn; -tjes, gekheid, grillen; de in het kruis zetten, de roeden van de molen, als hij stilstaat, overschuin plaatsen; de op de wind zetten, de zeilen van de molen zo zetten dat ze wind vatten; de op het huilen zetten, de molen, bij een sterfgeval in het gezin van de eigenaar, in de rouw zetten door al de zeilen en borden eraf te nemen. →: gons, klap, koren, slag, water.
2. Uitbr.
a. werktuig waarmede, gebouw waar, door een draaiende beweging voorwerpen worden fijngemaakt, gesneden, gezaagd, opgewonden enz. : koffie-, mosterd-, olie-, papier-, plet-, spin-, zaagmolen; hand-.
b. inrichting waarmede, gebouw waar water uit polders enz. wordt opgemalen : →: bemaling door (polder)-s.

II. Metf.

1. kinderspeelgoed bestaande uit vier wiekjes die draaien op een as aan een stokje: een vrouw die -tjes verkoopt op de kermis.
2. kinderspeelgoed bestaande uit een knoop of schijf enz. waardoor een touwtje gestoken is, dat men aan beide uiteinden vasthoudt en beweegt, om de knoop enz. snorrend te doen ronddraaien.
3. vuurwerkstuk dat ronddraait als het afgestoken wordt.
4. ronddraaiend kermisspel: draai-, malle-, paardjes-, vliegmolen; op de gaan zitten.