Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 27-09-2020

2020-09-27

hakken

betekenis & definitie

('hakkən) (hakte, heeft gehakt)

1. met een snijdend werktuig slaan : de slager hakte zich in de hand; in iets -; dat hakt er in, zo een uitgave maakt een gat in de beurs; op iemand (zitten) -, op iemand zitten vitten. → bijl.
2. door hakken in stukken splijten : hout → hout, pan. Syn. houwen, kappen.
3. door hakken doen ontstaan: een gat in het ijs -.
4. met de hak bewerken : de grond -.