(gra'na:t) (...naten ; -je) [Lat. granum, korrel, pit]
I. v. Eig. roodachtig groene, eetbare appelvormige vrucht met rode zaadkorrels, die groeit aan een Zuideuropese boom met rode fuchsiavormige bloemen.
II. m. Metn. die boom (Punica granatum) : de stamt uit Klein-Azië. → III. Metf.
1. m. en o. (als stofnaam) in doorschijnend donkerrode korrels voorkomend edelgesteente.
2. v. met een springlading gevuld puntprojektiel: barstende, springende ...naten.