Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 30-06-2020

geschil

betekenis & definitie

(gə'schil) o. (-len; -letje) [~ (ver)schillen] onenigheid, twist: een tussen twee personen doet zich voor, rijst (op); een hebben; een hangend -; met iemand in raken, in een gewikkeld worden, zijn; een beslechten, beslissen, bijleggen, vereffenen.