Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 30-06-2020

gelijk

betekenis & definitie

(gə'lijk)

I. bn. en bw. (-er. -st) [Veroud. lijk, voorkomen ; hetzelfde voorkomen hebbend]
1. geheel met elkaar overeenkomend : -e gang, haast, koers, tred; een bepaalde trek met iemand hebben; met -e wapenen; in -e mate. → aard, gang, grond, monnik.
2. overeenkomend in rang, stand, rechten of plichten: alle burgers zijn voor de wet -. → huwelijk, strijd.
3. overeenkomend in belang : dat is mij -
4. overeenkomend in waarde : A is (aan) B + C. → munt.
5. Meetk. dezelfde oppervlakte hebbend: -e driehoeken; - en gelijkvormig, met dezelfde oppervlakte en dezelfde vorm.
6. de juiste tijd aanwijzend : is uw horloge - of gaat ze voor? onze pendule is met de stadsklok; mijn horloge gaat, is, loopt of ik ben precies -.
7. effen, vlak ; de weg is overal -.
8. de-, hetzelfde : zaken van -e waarde.

Gez. dat is mij -, om 't even ; op spelen, niets winnen en niets verliezen; van humeur, altijd op dezelfde wijze gestemd ; zichzelf blijven, blijven handelen, oordelen in overeenstemming met eenmaal aangenomen beginselen of gewoonten.

II. o.

1. [gelijk I 7] effenheid, alleen in de uitdrukking : iets in het brengen, in orde.
2. [gelijk I 8] hetzelfde, alleen in uitdrukkingen : van -e, van ’s -en (wensen), hetzelfde ; te -, tegelijk. -

III. o. [Mned. billijk] billijkheid, recht, alleen in uitdrukkingen : altijd willen hebben, altijd volhouden wat men eens beweerd heeft, nooit toegeven dat men zich misschien vergist; daar heb je aan of in, je handelt daardoor billijk en verstandig; hebben in iets, een mening uiten, die met de waarheid overeenkomt; krijgen (van iemand), de erkenning dat hetgeen men beweert juist is ; het grootste van de wereld of van de vismarkt hebben, spottend gezegd tegen iemand met wie men niet langer twisten wil; iemand groot, schoon geven, erkennen dat hij naar behoren handelt; iemand in het stellen, verklaren dat hij goed gehandeld heeft of dat zijn bewering juist is. IV. bw.

1. op gelijke wijze, eveneens ; gekleed.
2. op evenmatige wijze ; iets delen.
3. op hetzelfde punt, even ver, even hoog : de twee schaatsenrijders bleven met elkander -.
4. op dezelfde tijd : de twee treinen komen juist aan.
5. in dezelfde mate : edel.
V. vgw. zo(als) : stamelen een kind.

Opm. Gelijk vormt veel samengestelde werkwoorden die betekenen : door de werking die het tweede lid uitdrukt effenmaken b. v. gelijkrollen enz.