Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 30-06-2020

deur

betekenis & definitie

v. (-en -tje)

1. Eig. beweegbaar vertikaal samenstel van planken enz. dat toegang geeft tot een gebouw, vertrek kast. enz.: een houten, glazen, ijzeren -; binnen-: buitendeur; onder-, bovendeur; voor-, achterdeur; de opendoen, openen, openmaken, opendraaien, openschuiven, openzetten; de dicht-, toedoen, dichtsluiten, dichtschuiven, sluiten; de aanzetten, op een kier zetten; een inlopen; in de staan; bij de -; buiten de -; de van een ➝ kachel. Gez. aan de ? maak dat je wegkomt: aan de verkeerde kloppen, zijn, zich tot de verkeerde persoon wenden; dat doet de toe, dicht, geeft de doorslag, de beslissing; dat is aan een dovemans geklopt, dat (verzoek) vindt in ’t geheel geen gehoor; de (wijd) openzetten voor iets, de gelegenheid openstellen inz. voor minder gewenste zaken; de platlopen, zeer veel uitgaan en bezoeken brengen; de uit! zorg dat je het huis verlaat; de uit zijn, voorgoed het huis uit zijn; de voor iemand(s neus) sluiten, hem (op botte wijze) weigeren te ontvangen; de voor de neus krijgen, bot afgewezen worden; dubbele -, deur met twee vleugels of stel van twee deuren achter elkaar; een dove -, de deur van iemand die niet horen wil; een opendoen om een venster te stoppen, zich in een zwaardere schuld steken om een kleinere te dekken; een gerechtszaak met gesloten -en behandelen, zonder toelating van publiek; een open inlopen, dwaas werk doen, zich nutteloos moeite geven; Hand. het stelsel van de open -, vrijhandel; ieder kere, vege voor zijn eigen -, ieder lette op zijn eigen tekortkomingen; iemand aan, buiten de zetten, de uitzetten, (het gat van) de wijzen, zorgen dat hij het huis verlaat; iemand buiten de sluiten, hem het huis ontzeggen; met de gooien, ze hard toeslaan; met de in huis vallen, onverhoeds binnenkomen of zonder voorbereiding over iets beginnen te spreken; voor de staan, zijn, aanstaande zijn; voor de rode gaan, komen, voor het gerecht [rood was de deur daarvan] of voor een meerdere moeten verschijnen of zich in ondertrouw laten opnemen; voor zijn eigen vegen, zijn eigen gebreken verbeteren; zet de open, gezegd wanneer iemand opsnijdt. ➝ lieden, ring.
2. Metn. huis: iemands voorbijgaan; van tot gaan.
3. Metf. wat op een deur gelijkt inz. vleugel van een slagnet.

< >