Wethouder Hekking betekenis & definitie

‘Stegeman betoont zich de wethouder Hekking onder de gastconservatoren: telkens als daar geen enkele behoefte aan is, schuift ze onvermoeibaar in beeld.’ (NRC 28-8-1996)

Wethouder Tj. Hekking werd min of meer bij toeval geboren, eind 1982, ergens aan het Naardermeer. Van Kooten en De Bie waren daar naartoe gegaan met een bord met de plaatsnaam Juinen. Later vertelde Kees van Kooten aan Oor hoe het verder was gegaan:

We werken heel impulsief. Als ik denk aan zo’n regelneef op het strand. Het moment dat je dan om negen uur ’s ochtends klaar staat en Paul [van den Bosch] heeft zijn camera geladen en je probeert een stemmetje uit... Zo worden ze toch geboren. We stonden ook alleen maar met die burgemeester en wethouder onder dat ene bord met Juinen, daar aan het Naardermeer. Drie takes, vier takes, pogingen, en ineens merken we dan: die wethouder wordt gek van ijdelheid en staat altijd maar in die camera te kijken. Je kunt dat niet op papier bedenken. Wel waar ze het over zullen hebben en op welke manier Nederland in zo’n dorp weerspiegeld wordt, maar het karakter van zo’n figuur moet toch in het draaien groeien.

De naam Hekking gaat niet - zoals die van sommige andere personages - terug op een figuur uit de jeugd van Van Kooten en De Bie, maar werd gekozen om de zangerige klank. Aanvankelijk had Hekking alleen voorletters, geen voornaam. Maar toen er brieven binnenkwamen met de vraag waar dat ‘Tj.’ voor stond, moest er iets worden verzonnen. Het werd Tjolk, naar een merk frisdrank. [69]

Tjolk Hekking was een meesterlijk type, met zijn strak over zijn voorhoofd gekamde haren en zijn jaren-vijftigbril. Hij droeg een bruin pak en een rode wollen trui, waar zijn stropdas op een vreemde manier bovenuit was getrokken, als betrof het een choker. Telkens als burgemeester H. van der Vaart iets in het (moeilijke) Juinense dialect probeerde te zeggen, verbeterde Hekking hem, maar zijn meest in het oog springende eigenschap was zijn onvoorstelbare camerageilheid. Stond hij aan het begin van een scène nog naast of achter Van der Vaart, gaandeweg wist hij zich op een hinderlijke, maar toch relatief onopvallende manier naar voren te wurmen, de camera de hele tijd scherp in de gaten houdend.

Het is die eigenschap die Hekking in de Nederlandse taal onsterfelijk heeft gemaakt. Het type mens was al bekend, maar er bestond nog geen soortnaam voor. Inmiddels worden een Hekking, een wethouder Hekking en het wethouder-Hekkingsyndroom gebruikt voor verschillende hinderlijke eigenschappen. ‘Een Hekking,’ schreef Mick Salet in 1996 in het Brabants Dagblad, ‘is een ritselende rechterhand. Een Hekking is een sluwe secretaris die van alles bedisselt, maar de voorzitter het gevoel laat houden de macht in handen te hebben.’ Maar Hekkings naam wordt toch vooral gebruikt voor iemand die zich naar voren dringt, die heel nadrukkelijk aanwezig is, die een goed gevoel voor publiciteit heeft of die zich doorlopend bewust is van de camera en die alles doet om in beeld te komen.

De afgelopen jaren zijn in de kranten onder meer de volgende personen getypeerd als een (wethouder) Hekking: burgemeester Opstel ten van Utrecht, burgemeester Nuytens van Valkenburg, Ad Melkert, Frits van Oostrom (bij de uitreiking van de AKO-literatuurprijs in T996) en thesaurier-generaal J.W. Oosterwijk. Over Oosterwijk kopte de NRC: “‘Wethouder Hekking” hoedt gulden en euro’. Natuurlijk zijn er ook heel wat wethouders met Hekking vergeleken. Zo berichtte het Dagblad de Limburger in 1997 over ‘een collega-wethouder die op zijn Hekkings probeerde binnen het bereik van de camera te komen’. Een andere krant maakte melding van een gemeenteraadslid in wie ‘de wethouder Hekking van Juinen’ naar boven kwam.

Tjolk Hekking is een man, een mannetje zelfs, maar ook vrouwen vertonen wel eens opdringerig, publiciteitsgeil gedrag. De Duitse schrijfster Alice Schwarzer is eens de ‘wethouder Hekking van het feminisme’ genoemd en men heeft het soms ook over vrouwelijke Hekkings. Over voetbalsupporters die achter een speler gaan staan keten als er een camera in de buurt komt, is geschreven dat ze ‘de overtreffende trap van wethouder Hekking’ zijn, en literaire vertalers zijn in de NRC ooit getypeerd als ‘kwispelende wethouders Hekking’. Er zijn nog veel meer voorbeelden te geven, maar het zal duidelijk zijn: ruim vijftien jaar na zijn opmerkelijke debuut is de Juinense wethouder Tjolk Hekking nog volop in onze taal aanwezig. Hij is net zo spreekwoordelijk geworden als bijvoorbeeld Pietje Precies, Jantje van Leiden en Braue Hendrik. Het is daarom niet moeilijk om een voorspelling te doen: binnen een paar jaar zullen alle belangrijke Nederlandse woordenboeken een plaatsje voor Hekking hebben ingeruimd. Waar gretig voordringen al niet toe kan leiden.

Zie ook Juinen.