Jemig de pemig betekenis & definitie

Taal heeft, net als andere groepstalen, woorden en uitdrukkingen die uitsluitend voor en van televisiekijkers zijn. Het gebruik van die gemeenschappelijke taal kan mensen een weldadig warm wij-gevoel geven. Vraag maar aan al die Oranjefans die ooit Aanvalluh! hebben geschreeuwd. Dat maakte, jemig de pemig, toch meer los dan het Wilhelmus? (Brabants Dagblad 28-10-1995)

In augustus 1997 werd in Almelo een coffeeshop geopend met de naam Jemig de Pemig Mozes Kriebel. Wie Kees van Kooten wel eens heeft gezien als Koos Koets, een personage dat op 23 december 1984 op televisie debuteerde, weet dat dit bij uitstek zijn stopwoorden zijn.

Koos Koets is een sympathieke overjarige hippie met een hoekige gekleurde zonnebril op, die graag een stickie rookt en de blues speelt op zijn mondharmonica.

De coffeeshop in Almelo werd officieel door de gemeente gedoogd, maar de buurtbewoners waren het daar niet mee eens. Zij spanden een rechtszaak aan, waarbij ook de naam van de winkel ter sprake kwam. ‘Stadsadvocaat Van Drooge liet zich ontvallen,’ zo meldde het dagblad Tubantia, ‘dat hij voor de heren Van Kooten en De Bie wel eens zou willen uitzoeken of op die naam eigenlijk geen auteursrechten rusten. [...] Welnu, via een voorlichter van de VPRO laten Wim de Bie en Kees van Kooten weten de uitspraak “Jemig de Pemig Mozes Kriebel” van “de straat” te hebben. En dat van enig auteursrecht dus geen sprake is. Laat staan dat ze een advocaat nodig hebben die uitzoekt hoe een en ander juridisch in elkaar steekt.’

De verslaggever van Tubantia liet het hier echter niet bij zitten. Hij pakte de Grote Van Dale erbij en citeerde:

jemig, uitroep van verontwaardiging, verbazing, ongerustheid: jemig nog toe!,-jemig de pemig (K. Koets).

Het stond dus zelfs in Van Dale! Waren Van Kooten en De Bie soms hun eigen creatie vergeten?, vroeg de verslaggever zich af.

Nu was Tubantia niet de eerste krant die jemig de pemig en mozes kriebel aan Van Kooten en De Bie toeschreef. In 1993 deed de NRC hetzelfde. Dit leidde onmiddellijk tot twee ingezonden brieven. Een lezer uit Drenthe schreef over mozes kriebel:

Zonder de creatieve talenten van deze beide heren aan te willen tasten moet ik toch mededelen dat ik mij nog zeer levendig kan herinneren deze woorden zelf gebruikt te hebben bij een bepaalde gelegenheid toen ik in de zesde klas van de lagere school zat.

Dat moet in 1935 of’36 geweest zijn. Ook mijn echtgenote-van vrijwel dezelfde leeftijd als ik - herinnert zich deze uitdrukking uit haar vroege jeugd. Zij is geboren en getogen in Den Haag, en ik in Rotterdam, dus een ‘plaatselijk verschijnsel’ kan dit zeker niet worden genoemd.

Ook de andere briefschrijver herinnerde zich mozes kriebel al ruim voor de Tweede Wereldoorlog - dus nog vóór de geboorte van Van Kooten en De Bie - te hebben gebruikt. Samen met jemig de pemig behoorde het tot het ‘gangbare idioom’ op de openbare lagere school aan de Hyacinthweg in Den Haag. Precies de school, overigens, die De Bie later zou doorlopen. Ik waag de hypothese,’ concludeerde de briefschrijver, ‘dat wij hier te maken hebben met gereactiveerde restanten uit het West-Haags-Loosduinse regiolect.’

Het klopt dus dat Van Kooten en De Bie deze uitdrukkingen van de straat hebben, maar gaat het inderdaad om een relict van het West-Haags-Loosduins dialect? Voor mozes kriebel geldt dat kennelijk niet, want die uitdrukking was volgens de eerste brief ook in Rotterdam bekend.

Het kan best zijn dat jemig de pemig vooral door de Haagse schooljeugd werd gebruikt, maar varianten kwamen elders al veel eerder voor. Zo is in 1871 in Noord-Holland jemig kremig opgetekend. Volgens een recente studie van de Leidse hoogleraar P.G.J. van Sterkenburg over vloeken is jemig de pemig zelfs al in de zeventiende eeuw bij Vondel en Bredero te vinden! Dit zou de stamboom van deze uitdrukking aanzienlijk verlengen, maar het blijkt om een vergissing te gaan. Van Sterkenburg baseert zich op het Woordenboek der Nederlandsche Taal, maar daar staat dat Vondel en Bredero jemie en jeminie gebruikten, niet jemig de pemig. Wel zijn het uiteindelijk allebei verbasteringen van de naam Jezus. Dat geldt ook voor een hele bups andere woorden, zoals jakkes, jasses, jeetje(mina), jeminee en tjeempie. Dat de pemig is waarschijnlijk gewoon een rijmende nonsenstoevoeging, bedoeld om de vloek te verzachten.

Van Kooten en De Bie hebben jemig de pemig dus zeker niet verzonnen, maar zij hebben de uitroep wel populair gemaakt, vooral bij de jeugd. In de jaren tachtig dook hij regelmatig op in tienerbladen en ook op het Internet komt men hem nu vooral op jongerenpagina’s tegen. Zo schrijft een zekere Arjan in een verslagje getiteld ‘Mijn vakantie in Argelès-sur-Mer’:

Tjemig de pemig! Nadatzij de bus uitwas begon Grote te zingen: ‘Kleine gaat neuken, Kleine gaat neuken, Kleine gaat neuken!’ Ik zong met hem mee!

In een gastenboek van een site stond ‘Tjemig de pemig, toffe site geworden zeg. Wij als nerds van Dirkzwager vinden dit een hele mooie site’, en onlangs verzuchtte een zekere Milo op The KAD chat page:

Moeeee, moeoeoeoeooeoeeoeooeoeoeoeo.... Tjemig de pemig, dat valt nog niet mee: WERKEN!

In de reguliere pers is de uitroep onder meer aangetroffen in boekbesprekingen (‘Wauw, jemig de pemig, maak daar maar eens chocola van’) en filmrecensies, maar hij komt ook opmerkelijk vaak voor in berichten over bijvoorbeeld de ‘zwingende’ jaren zestig en het Amsterdamse hasjgedoogbeleid. Dat laatste is geheel aan Koos Koets te danken. Net als het feit dat je in Almelo wiet kunt kopen bij coffeeshop Jemig de Pemig Mozes Kriebel, ook al zijn de omwonenden daar fel op tegen.

Zie ook Koos Koets en mozes kriebel.