Godsdienstvrijheid betekenis & definitie

Negatieve godsdienstvrijheid is de vrijheid van religies en godsdiensten verschoond te blijven. Positieve godsdienstvrijheid is de vrijheid om een godsdienst te praktiseren.

De Engelse taal onderscheidt 'freedom to' en 'freedom from' hetgeen overeenkomt met positieve respectievelijk negatieve vrijheid. Godsdienstvrijheid in het publieke domein legt nadruk op de positieve vrijheid om godsdienstig te handelen ('freedom to'). Zoals de vrijheid om - onder beperkende voorwaarden - kerkklokken te luiden, te vereniging, jongens besnijdenis te laten ondergaan, sluiers te dragen, ritueel te slachten, af te zien van vaccinatie en zo meer. Negatieve vrijheid ('freedom from') betekent de vrijheid van religieuze uitingen verschoond te blijven.

Negatieve en positieve vrijheden kunnen botsen. De (positieve) godsdienstvrijheid om via kleding je geloof en identiteit buiten gebouwen en besloten plaatsen uit te drukken kan immers botsten met het recht van anderen op non-interventie en het recht religieuze uitingen af te weren.

Artikel 6 is voor godsdienstvrijheid belangrijk. Maar religies en godsdiensten zijn fluïde en soms nauwelijks van spiritualiteit en van andere niet-godsdienstige levensovertuigingen als die van een humanist, agnost en atheïst te onderscheiden. Geloofsverandering of al of niet in Hogere Machten geloven is bovendien van een andere orde dan robuuste onderscheidingen op basis van ras en geslacht. Wettelijk zijn echter deze zaken in eenzelfde wetsartikel van onze Grondwet opgenomen.

De uiteindelijke betekenis van godsdienstvrijheid is de voortdurende problematisering van geloofs expressies in de openbare ruimte en binnen online religie. Een staat wil zich niet met geloof inlaten (laïcité) maar wil wel iets aan hoofddoeken doen waarmee de staat zich dus vervolgens moet inlaten met de vraag of de gezichtssluier wel / niet uiting van het ware geloof is.