Vaderlandsch woordenboek

Jacobus Kok (1780)

Gepubliceerd op 15-03-2024

STEEN, JAN

betekenis & definitie

een zeer bekend Konstschilder, die zelfs, gelijk wij straks nader zien zullen, aanleiding tot een spreekwoord in onze Nederlanden heeft gegeeven, was gebooren te Delft, daar zijn Vader een Brouwer was. Hij was een Leerling van JAN VAN GOYEN, die hem, om zijn vrolijken aart en omgang, en om zijne geestige invallen, grootelijks beminde.

De Leerling hadt van zijnen kant ook veel genegenheid voor zijn meester, maar nog meer voor deszelfs Dogter, met dewelke hij een heimelijken Liefdehandel onderhield, zo dat dezelve zich zwanger bevondt; het welk van dat gevolg was, dat JAN STEEN moest besluiten haar te trouwen, het geen hij ook gewillig deedt: gelijk ook de toestemming der wederzijdsche ouderen daar schielijk op volgde, als die thans geene andere partij te kiezen hadden. De Vader van onzen Schilder kogt, om hem een ordentelijk bestaan te bezorgen, eene brouwerij voor hem, te Delft, daar hij hem inzettede, en waarin hij inderdaad een goed bestaan gevonden zoude hebben, zo hij zijne zaaken behoorlijk hadt willen waarneemen; maar dit laatste ontbreekende bedierf alles, en de winsten wierden zo gering, dat JAN verpligt was zijn toevlugt te neemen tot het Penseel, daar men in zijn geheelen levensloop ook ziet, dat hij, als op een laatst plegtanker, altoos veel op vertrouwde.

Het eerste stuk, dat hij thans schilderde, was een zinnebeeld van zijn bedorven huishouding, daar zijne huisvrouw MARGARETA wezenlijk geen gering deel mede in hadt. Het vertrek lag buiten order, alles over hoop, de Hond slobberde uit de pot, de Kat liep met het spek heen, de kinderen buitelden haveloos over de vloer, en môer zat lui en gemaklijk in een leuningstoel, en zag dit werkje gerust aan; en om de klugt hadt hij zich zelven daar bij afgemaald met een wijnglas in de hand, en een Aap op de schoorsteen, die dit alles met een uitgestooken kop en bek begluurde.

De verwaarloozing zijner zaaken was zo volkoomen, en zijn levenswijs zo zorgeloos, dat men slegts dit staaltje behoeft bij te brengen, om de oorzaak van de volstrekte veragtering van ‘s mans zaaken te doen begrijpen. Terwijl hij nog in de Brouwerij was, maar meer Wijn dan Koren voor zijn geld kogt, moest dezelve, bij gebrek van Mout, zomtijds stille staan, waar door de Neering geheel verliep.

Op zekeren morgen als ’er wederom gebrek aan alles was, kwam zijne Huisvrouw deswegen bij hem klaagen: „JAN”, zeide zij, „de Neering moet onder zulk eene bestiering wel verloopen; de klanten zenden telkens vergeefsch om Bier te hebben; daar is geen Bier in de kelders, en zo veel Mout niet, dat wij een Brouwt maaken kunnen. Hoe zal dat gaan, gij behoorde de Brouwerij levendig te houden.” „ Goed”, antwoorde JAN, „ik beloof u, dat ik dezelve levendig zal houden.” Daar op ging hij na de Markt, naa dat hij te vooren de knegts belast hadt, dat zij de groote Ketel vol water pompen zouden.

Op de Markt gekoomen, kogt hij daar eene partij levendige Endvogels, welke hij liet thuis brengen, dezelve onmiddelijk volgende. Hij begeeft zich straks in de Brouwerij, laat de Mout die hij nog hadt, in de Ketel storten, en de Vogels daar in zwemmen. Deeze zulks niet gewoon zijnde, vlogen wild en woest door de Brouwerij, en maakten zulk een bijster geraas en leven, dat zijne Vrouw daar op uit kwam. Zo als hij haar zag, liep hij lagchende na haar toe, en zeide: „Wat zeg jij, GRIETJE? is het nu niet levendig in de Brouwerij?” Schoon de Vrouw niet veel lust hadt om te lagchen, konde zij zich egter, om zijn klugtig bedrijf, en potzige aanspraak, daar van niet geheel onthouden.

Men begrijpt ondertusschen, dat hij op deeze wijze niet zeer lang Brouwer konde blijven. Naa verloop van eenige jaaren wierdt hij dan Herbergier; maar dit was insgelijks van geen langen duur; en hij nam het Penseel, ’t welk hij, in hoop van in zijne Herberg eene gemaklijke en vrolijke kostwinning te zullen hebben, weder neder gelegd hadt, op nieuws in de hand. Men ziet van hem een stuk, ’t welk hij naderhand aan den Vorst van Wolfenbuttel verkogt heeft, waar in een Bruidegoin en Bruid, twee oude Lieden, en een Notaris vertoond worden; deeze zijn allen zo natuurlijk in hunne verrigtingen geschilderd, als of men hen levendig voor oogen hadt, en met die verrigtingen bezig zag.

De oude Lieden schijnen hunne meening met grooten ernst aan den Notaris te beduiden; de Notaris luistert met veel aandagt naar het geen de oude Lieden hem zeggen, terwijl hij met de pen op het papier gereed is om te schrijven het geen zij hem opgeeven. De Bruidegom staat daar bij, en toont zijn misnoegen over de gemaakte schikkingen; hij schijnt van spijt te stampvoeten; hij werpt zijn hoed- en trouwtekens langs de grond, haalt zijn handen en schouders op; hij ziet zijn Bruid van ter zijde aan op eene wijze die te kennen geeft, dat hij de schuld daar van aan de oude Lieden alleen wijt, en zich voor haar ontschuldigt; de Bruid gelooft dit, maar beklaagt haar verlies, en staat met traanen op de wangen dit toneel droevig aan te kijken.

Even zo natuurlijk en geestig is van hem geschilderd een jonge opgeschooten Julfus, staande te huilen. Het stuk namelijk verbeeldt een St. Nicolaas avond, en de jonge Lobbes, die zich gevleid hadt wat lekkers of wat moois in zijn schoen te vinden, ziet daar eene roede in steeken.

Onder zijne kleiner soort van konststukjes vindt men veelen, die uitvoerig naar het leven geschilderd en niet min geestig van gedagten zijn. Het getal zijner stukken is zeer menigvuldig, allen geestig van vinding, het zij hij vrolijke gezelschappen in Wijn- of Bierkroegen, of andere losse bedrijven van ‘s menschen leven verbeelde; het zij hij zaaken, die een stiller beslag vereischten, als bij voorbeeld een kinderschool of iets diergelijks, vertoonde. Men ziet daar zijn vluggen geest en zijne geaardheid altoos in; altoos is het stukje met eenig grappig bedrijf vermengd.

De jongens, bij voorbeeld, grijpen malkanderen in het hair, of de Schoolmeester, die een zottelijk deftige, een ernstig belagchelijke houding heeft, vertoont de meerderheid van zijn gaven met de plak: terwijl de andere leerlingen door de exemplaare straf van een en hunner makker in vreeze worden gebragt, en eene zeer bedrukte vertooning maaken.

Eene afbeelding van een Kwaakers lijkstatie, door hem geschilderd, is zo geestig en potzig van toestel, en de wezens zijn zo wonderlijk naargeestig verbeeld, dat men dezelve zonder lagchen niet kan aanzien. Men moet ook van hem erkennen, dat hij het karakteristike, het onderscheiden der Persoonen, zeer wel verstondt, en de fynste trekken bijzonder net wist uit te drukken.

Bij voorbeeld in de Tafereelen, daar Heeren en Boeren bij malkanderen verbeeld staan, behoeft men naa de kleeren niet te kijken, om te weeten, wie de eene en andere zijn. Het blijkt straks uit de wijze van staan of zitten, uit de houding en gebaarden, uit ik weet niet welke kleinigheden, wie de eene en de andere zijn.

Men ziet reeds uit het geen wij van de schilder- en levenswijze van JAN STEEN gezegd hebben, dat de eene met de andere volmaakt overeenstemde; en men zal daar van nog nader overtuigd worden, en zien, dat hij steeds een hart zonder zorg was, en alles van den vrolijken kant alleen beschouwde, uit een ander geval, dat men in zijn leven, door HOUBRAKEN beschreeven, vindt aangetekend.

Toen JAN STEEN, Naa het tweede verloop zijner zaaken, weder aan het schilderen was gegaan, vervaardigde hij onder anderen een stukje, het welk hij vrij duur verkogt, maar het welk men hem betaalde in goud dat te ligt was. Zijne vrouw de somme, die hij daar voor ontvangen hadt, verneemende, hadt wel gewildt, dat hij die haar hadt overgegeeven, om de meestdringende behoeften van haar huishouden daar mede te vervullen; maar zij begeerde dit vergeefsch, en hij begaf zich met al dat geld naa de kroeg, verdronk daar een gedeelte van, en verloor de rest met speelen. Hij kwam des met te min vrolijk en welgemoed thuis: zijn vrouw vleide zich hier door, dat hij het goud, ten minsten voor een gedeelte, nog mogt behouden hebben, en vroeg hem aanstonds naa hetzelve; maar hij antwoordde haar, onder een hartelijk gelagh, dat hij het zelve gelukkiglijk geheel kwijt was. Zijne vrouw bragt hem den staat, in welken zij zich bevonden, onder het oog, en wilde hem doen begrijpen, dat het verlies van zulk eene som, in zulke omstandigheden, gewislijk geen onderwerp van lagchen was; „Hoe! Vrouw”, antwoordde JAN, „zoude ik niet lagchen! zij meenen, dat zij mij bedroogen hebben, maar ik heb hen gefopt; want ik wist dat het goud veel te ligt was, en ik heb het hun voor volwaardig uitgegeeven: zij zullen morgen, als zij het weder uitgeeven willen, zien, dat ik hen te slim ben geweest; Ha! ha! ha! hoe zullen zij staan te kijken!”

Na den dood van deeze zijne Huisvrouw, trouwde hij eene andere, waar van de vrijaadje al mede in den gewoonen trant van JAN STEEN was, en niet onaartig is te leezen bij HOUBRAKEN (Schouwb. der Nederl. Kunstschild. D. III. p. 22. enz.). Deeze, vrouw was MARYTJE HERCULENS genaamd, en hadt zich geneerd met Schaapshoofdjes, pootjes en diergelijken te verkoopen; welke neering hij haar egter welhaast deedt staaken. Deeze MARYTJE plaagde haaren man altijd om geschilderd te weezen, en wel in haar zondagspak, gelijk men de Portretten gemeenlijk ziet. Maar daar kwam niet van; zo dat de vermaarde Leidsche Kunst Schilder KAREL DE MOOR, die veel aan het huis van JAN STEEN kwam, haar zijn dienst daar toe aanboodt, en haar uitschilderde. Zij was daar wonder wel mede in haar schik, en liet het haaren man zien, die daar ook genoegen in betuigde te neemen, maar zeide, dat daar nog iets aan ontbrak, het welk hij daar zelf aan vervullen zoude. Straks neemt hij het Portret, zet zich tot schilderen, en plakte zijn vrouw een grooten hengelkorf met gekookte Schaapshoofden en pootjes aan haar arm; het welk zulk een vreemd Contrast maakte met het zondagspak, dat zij, schoon het haar geweldig speet, niet kon naalaaten, daar zelve om te lagchen. „Dit”, zeide JAN, „ontbrak ’eraan, zouden u de menschen kennen.”

Uit alles wat wij gezegd hebben, ziet men derhalven duidelijk, het bekende Hollandsche spreekwoord, „Dat is een stukje van JAN STEEN”, niet zonder oorzaak zo algemeen is geworden, en een volkomen grond in ‘s Mans karakter heeft.

Hij stierf in den Jaare 1678, en wierdt door zijn Konst-Broederen begraaven.

< >