Fortuin, — geluk betekenis & definitie

De voorspoed, dien iemand geniet. Fortuin, vr. en onz. een aan het Latijn ontleend woord, ziet meer op een toevallig, on¬voorzien geluk, dat ons ten deel valt, zonder dat wij er zelf iets aan toe¬brengen. 't Geluk heeft hem gediend.

De fortuin is met de stoutmoedig en. Zijn fortuin zoeken, zijn fortuin maken. Van hier fortuin = vermogen, vgl. Heil.