Bakken — braden — fruiten — koken — roosten — stoven — zieden betekenis & definitie

Spijzen gaar en eetbaar maken door middel van verhitting boven het vuur. Bij koken doet men ze in eene vloeistof, die men verhit tot het punt, waarop deze begint op te borrelen; zieden was oorspronkelijk het¬zelfde, doch wordt thans alleen van visch nog gebruikt, (zie verder bij zieden); bij braden stelt men ze bloot aan de werking van het vuur, terwijl men in de pan een weinig vet heeft gedaan om het hard branden te voorkomen; bij aan het spit braden wordt het vet over het gebraad gedruppeld.

Roosten is droge spijs aan de aanraking van het vuur bloot¬stellen, ten einde aan den buitenkant een licht gebrande korst te verkrijgen. Stoven beteekent eetbaar maken door eene langduriger, matiger warmte, dan men tot koken, braden of roosten bezigt. Branden sluit altijd het bij¬denkbeeld in, dat de buitenkant van hetgeen eetbaar wordt gemaakt te gelijk van eenen weeken in een harderen of vasteren toestand overgaat. Fruiten is het toebereiden van sommige spijs in sterk kokend vet, het wordt weinig gebruikt, gefruite uien.