Baal — binnenzee — bocht — golf — inham — kreek — zeearm — zeeboezem betekenis & definitie

Het gedeelte der zee, dat in het land binnen¬dringt. Eene insnijding in de kust noemt men baai, bocht, golf.

Bocht en golf worden gebezigd van eene insnijding in het land, die zich over eene grootere oppervlakte uitstrekt. Bij bocht is de insnijding min of meer boog¬vormig; terwijl de golf dieper naar binnen dringt. Be bocht van Guinea en de golf van Biskaye. Eene insnijding, welke dieper inloopt en waarvan de opening minder wijd is, noemt men een zeeboezem. Zulk een zeeboezem kan weder kleine bochten en baaien bevatten. Zeer kleine bochten heeten inham. Kleine, smalle, ver landwaarts indringende inhammen dragen den naam van kreek. Inham en kreek (het laatste bij voorkeur) worden ook gezegd van insnijdingen, gemaakt door eene rivier of een meer. Als eene baai zeer lang en betrekkelijk smal is, heet zij een zeearm. Een grooten zeeboezem noemt men binnenzee.