J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gepubliceerd op 28-04-2019

Afkomeling — afstammeling — nakomeling — naneef — nakroost — nazaat — oor (oir)

betekenis & definitie

De beide eerste woorden verschillen nagenoeg niet in beteekenis; afstammeling wordt het meest gebruikt, afkomeling zeer zelden; zij worden gezegd van al de personen, die van een zelfden voorvader afstammen, zoowel de kinderen, de kindskinderen als de verdere bloedverwanten, tot in den meest verwijderden graad. De volgende woorden, behalve oor, daarentegen hebben alleen betrekking op een meer verwijderd nageslacht.

Wil men echter van zulke nazaten of nakomelingen meer bepaald de geslachtsbetrekking tot den gemeenschappelijken voorvader doen uitkomen, dan noemt men hen bij voorkeur afstammelingen, als b.v. in Burg. Wetb. a. 961. Oor is de afstammeling in de rechte lijn, die als erfgenaam in de rechten van den vader treedt. Het wordt bijna uitsluitend in deftigen stijl gebezigd: »Bij ontstentenis van het mannelijk oir gaat de kroon over op diens broeders (nl. van den vader)”. Nakomeling, naneef, nakroost, dat alleen in het enkelv. voorkomt, en nazaat veronderstellen in de meeste gevallen geen nabestaanden familieband. » Wij, die zoo verachtelijk den neus ophalen voor de middeleeuwsche beschaving, loopen wij geen ge¬vaar, dat onze nazaten het eveneens zullen doen over onze hooggeroemde negentiende-ëeuwsche wetenschappelijkheid?" Indien uwe voorouders uit hunne graven opstonden, meent gij, dat zij in u hunne afstammelingen zouden erkennen? ,,'t Vangt aan het stout bedrijf waar 't nakroost van zal spreken”.