1. vz. (in de lengte van, in de richting van; terzijde, voorbij): langs een rivier wandelen, ter zijde van; de weg loopt langs het bos, ik ga langs uw huis;
2. bw. (ter zijde, voorbij): de straat langs gaan; onder langs, boven langs; er van langs geven, krijgen, klappen geven, krijgen; Z.-N. van langs om, hoe langer hoe.