Bespuwen
(bespuwde, heeft bespuwd), spuwen op, tegen enz., door spuwen bevuilen: zijn kleren bespuwen; zichzelf bespuwen; fig. bezoedelen: met achterklap bespuwen.
Van Dale Uitgevers (1950)
(bespuwde, heeft bespuwd), spuwen op, tegen enz., door spuwen bevuilen: zijn kleren bespuwen; zichzelf bespuwen; fig. bezoedelen: met achterklap bespuwen.
Grasduin in meer dan 507 woordenboeken en encyclopedieën. Krijg toegang tot maar liefst 2.316.291 begrippen, 37.599 spreekwoorden en 78.030 synoniemen.
Word nu vriend van Ensie!
Jozef Verschueren (1930)
(bə'spuwən) (bespuwde, heeft bespuwd) 1. spuwen op : Jezus werd bespuwd door de soldaten. 2. belasteren, versmaden : zijn tegenstander -.
J.H. van Dale (1898)
BESPUWEN, (bespuwde, heeft bespuwd), spuwen op zijne kleeren bespuwen; zich zelf bespuwen. BESPUWING, v.
Gerelateerde zoekopdrachten
Log hier in om direct te kunnen beginnen met schrijven.
Wil je dit begrip toevoegen aan je favorieten? Word dan snel vriend van Ensie en geniet van alle voordelen: