Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

zuiger

betekenis & definitie

Verkorting van wieltjesplakker, -zuiger. Frans: accrocheur; suceur de roue.

Zelf fietsende dertigers zijnde konden wij een tevreden, opgewekt gevoel niet onderdrukken. Er is hoop. En we zullen niet meer denigrerend spreken over de ‘zuiger’ of de ‘plakker’. (Vrij Nederland, 07/09/1985)

En hoe Zoetemelk in België veel passie wist los te maken. Want, wat hebben ze hem gehaat, de man die hun Merckx wel kon bijhouden, maar nooit kon inhalen. Een wieltjeszuiger heette hij te zijn. In Joop staat een foto van Belgische wielerfans die een pop van ‘Joop de zuiger’ aan een geïmproviseerde galg hebben gehangen. (NRC Handelsblad, ai/07/2005)