Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

wieler

betekenis & definitie

Verouderde benaming voor de fiets.

In 1870 begon men, met Engeland voorop, steeds minder hout te gebruiken bij de fabricage van het rijwiel (dat voorheen in Nederland nog vélocipède, wieler of snelvoeter heette totdat in 1869 de Leidenaar Buys het woord ‘rijwiel’ uitvond), de holle framebuis kwam in zwang. (Wim van Eyle: Een eeuw Nederlandse wielersport. Van Jaap Eden tot Joop Zoetemelk. 1980)